Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra gebruikershandleiding

Bijgewerkt op

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra gebruikershandleiding

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra is een paneel van een integratiemodule die ontworpen is om externe bekabelde apparaten op een Ajax-systeem aan te sluiten. Het paneel kan worden geïnstalleerd in een Ajax-behuizing en beschikt over acht bekabelde zones voor het aansluiten van NC-, NO-, EOL-, 2EOL-, 3EOL- en rolluikapparaten. De module kan het verbonden apparaat ook voorzien van 11,5 - 12,5 V⎓ bij maximaal 500 mA.

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra heeft een connector voor een sabotagebeveiliging bij installatie in een Ajax Case om de behuizing te beschermen tegen demontage. De integratiemodule werkt in een Ajax-systeem en wisselt gegevens uit met de hub via het beveiligde bekabelde Fibra-communicatieprotocol.

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra is een apparaat uit de Superior-productlijn. Alleen erkende Ajax Systems-partners mogen Superior-producten verkopen, installeren en onderhouden.

Functionele elementen

Elementen van het paneel

Elementen van het paneel
  1. QR-code en ID (serienummer) van de integratiemodule.
  2. Jumper voor afsluitweerstand. Als de integratiemodule het laatste apparaat in de Fibra-bus is, moeten de pinnen worden kortgesloten.
  3. Aansluitklemmen voor het verbinden van de integratiemodule met de Fibra-bus.
  4. Aansluitklemmen voor het aansluiten van een voeding voor bekabelde apparaten van derden.
  5. Aansluitklemmen voor bekabelde apparaten van derden.
  6. Led-indicator.
  7. Connector voor een sabotagebeveiliging. De sabotagebeveiliging is inbegrepen in de Ajax Case complete set (de behuizing wordt apart verkocht).
  8. Montagegaten voor het installeren van het paneel van Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra in de behuizing.

Aansluitklemmen

Aansluitklemmen

Aansluitklemmen op het paneel:

  • Z1 - Z8 — ingangen voor het aansluiten van bekabelde apparaten.
  • COM — gemeenschappelijke ingangen voor het aansluiten van signaalcircuits van bekabelde apparaten.
  • +12V — 11,5 - 12,5 V⎓ uitgangsvermogen voor bekabelde apparaten, in totaal maximaal 500 mA voor alle voedingsuitgangen.
  • GND — aardingsklem voor het aansluiten van voedingscircuits van bekabelde apparaten.

Compatibele hubs

De integratiemodule vereist een Ajax-hub met OS Malevich 2.XX of nieuwer.

Werkingsprincipe

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra is ontworpen om bekabelde apparaten van derden te integreren in een Ajax-systeem. De integratiemodule ontvangt informatie over alarmen, storingen, en andere gebeurtenissen van apparaten via een bekabelde verbinding. Vervolgens wordt de gebeurtenis naar de hub verzonden via het Fibra-protocol voor bekabelde gegevensoverdracht. De hub stuurt vervolgens meldingen naar gebruikers en de meldkamer.

Een bekabeld apparaat dat is aangesloten op Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra kan in een van de volgende sensormodi werken:

  • Detecteer alarmen
  • Wijzig ingeschakelde modi
  • Beheer van blokkeerelement (hiermee kunt u alleen de status van het blokkeerelement controleren)
  • Beheer van grendelslot (controleert alleen de status van het grendelslot)

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra kan worden gebruikt voor het integreren van alarm- en noodknoppen, bewegingsdetectoren voor binnen en buiten, evenals detectoren die reageren op deuropening, trillingen, glasbreuk, brand, gas- en waterlekkage, enz.

U kunt ook KeyArm Zone instellen, waarmee beveiligingsmodi van het systeem kunnen worden geschakeld met een apparaat van derden dat is aangesloten op Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra. Met KeyArm kunt u het systeem of specifieke groepen in- en uitschakelen (als de Groepsmodus is ingeschakeld) of de Deelinschakeling beheren.

KeyArm Zone instellen voor Ajax-systemen

Het type van het apparaat is aangegeven in de instellingen van de zone waarop het bekabelde apparaat is aangesloten. Het geselecteerde type bepaalt de tekst van de meldingen over alarmen en gebeurtenissen van het aangesloten apparaat, evenals de gebeurteniscodes die verzonden worden naar de bewakingssoftware.

De sensormodi Beheer van blokkeerelement en Beheer van grendelslot worden gebruikt om blokkeerelementen en grendelsloten van derden in een Ajax-systeem te integreren in overeenstemming met het principe van onvermijdelijkheid (Duits: Zwangsläufigkeit). Met deze modi kan de module de statusveranderingen van het blokkeerelement of het grendelslot controleren. De module kan echter de statussen van het blokkeerelement of het grendelslot niet rechtstreeks aansturen (ver- en ontgrendelen).

Soorten bekabelde apparaten

Bedrijfsmodus detecteer alarmen

Gebeurtenistype

Pictogram

Betekenis

Sabotagealarm

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Gebeurtenis wanneer een sabotagebeveiliging van een detector of apparaat wordt geactiveerd.

Inbraak

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Alarm bij beweging, opening of wanneer andere detectoren wordt geactiveerd.

Brand

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Alarm als een brandmelder worden geactiveerd.

Hulp alarm

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Alarm wanneer de hulpknop wordt ingedrukt.

Paniekknop

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Alarm wanneer de paniekknop wordt ingedrukt.

Gasalarm

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Alarm wanneer de gasconcentratie de drempelwaarde overschrijdt.

Storing

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Gebeurtenis wanneer een verbonden apparaat een storing heeft.

Lekkage

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Alarm bij detectie van lekkage.

Glasbreuk

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Alarm wanneer de glasbreuksensor geactiveerd wordt.

Dit type gebeurtenis werkt alleen in de bedrijfsmodus Puls.

Hoge temperatuur

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Alarm wanneer de bovenste temperatuurgrens wordt overschreden.

Lage temperatuur

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Alarm wanneer de temperatuur onder de ondergrens daalt.

Maskering

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Alarm wanneer de maskering van het apparaat wordt gedetecteerd.

Dwangcode (opening)

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Alarm wanneer de dwangcode wordt ingevoerd.

Dit type gebeurtenis werkt alleen in de bedrijfsmodus Puls.

Trilling (seismische sensor)

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Alarm wanneer de seismische sensor geactiveerd wordt.

Dit type gebeurtenis werkt alleen in de bedrijfsmodus Puls.

Aangepast

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

Het type gebeurtenis kan door de gebruiker worden ingesteld.

Sensormodus wijzig beveiligingsmodus

Pictogram

Betekenis

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

U kunt KeyArm Zone instellen, waarmee de beveiligingsmodi van het systeem kunnen worden omgeschakeld met een apparaat van derden dat is aangesloten op Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra. Met KeyArm kunt u het systeem of specifieke groepen in- en uitschakelen (als de Groepsmodus is ingeschakeld) of de Deelinschakeling beheren.

KeyArm Zone instellen voor Ajax-systemen

Beheer van blokkeerelement

Pictogram

Betekenis

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

U kunt Beheer van blokkeerelement instellen, waarmee u meldingen kunt ontvangen over de statussen van een blokkeerelement van derden.

Beheer van grendelslot

Pictogram

Betekenis

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra

U kunt Beheer van grendelslot instellen, waarmee u meldingen kunt ontvangen over de status van het grendelslot.

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra heeft acht bekabelde zones. Het wordt aanbevolen om één apparaat op één zone aan te sluiten.

De integratiemodule heeft één voedingskabel van 11,5 - 12,5 V, met een totale voedingsstroom van maximaal 500 mA. De bus beschikt over twee paar aansluitklemmen voor een gemakkelijkere aansluiting.

Ondersteunde verbindingstypes:

  • NO (normaal geopend)
  • NC (normaal gesloten)
  • EOL (verbinding met één weerstand)
  • 2EOL (verbinding met twee weerstanden)
  • 3EOL (verbinding met drie weerstanden)
  • Rolluik

Het apparaat ondersteunt EOL-weerstanden met waarden variërend van 1 tot 15 kΩ. De totale weerstand van alle weerstanden bedraagt maximaal 30 kΩ. Om de sabotagebeveiliging te verbeteren, kunnen EOL-weerstanden met verschillende weerstanden in één detector worden gebruikt. De aanbevolen weerstandsverhouding voor EOL-weerstanden: R1=R, R2=2R, R3=3R. Voor apparaten met halfgeleiderrelais of halfgeleiderschakelaars wordt aanbevolen om R1 > 3 kΩ te gebruiken.

In de Ajax-app kunt u de normale status selecteren (normaal gesloten of normaal geopend) voor elk paar aansluitklemmen: alarm, sabotagealarm en storing. Hiermee kan elke detector met potentiaalvrije contacten worden aangesloten op Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra.

Een bekabeld apparaat aansluiten op de integratiemodule

Fibra-protocol voor gegevensoverdracht

Het apparaat maakt gebruik van de Fibra-technologie om alarmen en andere gebeurtenissen te versturen. Dit bekabelde protocol voor gegevensoverdracht zorgt voor een snelle en betrouwbare tweerichtingscommunicatie tussen de hub en de verbonden apparaten.

Firmware-update

Als er een nieuwe firmwareversie beschikbaar is voor Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra, verschijnt het pictogram UpdateRed-M in de Ajax-apps in het tabblad Apparaten HubFilled-M. Een beheerder of een PRO met toegang tot de systeeminstellingen kan een update starten in de statussen of instellingen van het apparaat. De instructies op het scherm helpen u om de firmware succesvol bij te werken.

Gebeurtenissen naar de meldkamer verzenden

Een Ajax-systeem kan alarmen versturen naar de Ajax PRO Desktop-bewakingsapp en naar de meldkamer met SurGard (Contact ID), SIA (DC-09), ADEMCO 685, en andere protocollen.

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra kan de volgende gebeurtenissen verzenden:

  1. Storing in de integratiemodule.
  2. Aansluiting/ontkoppeling van de sabotagebeveiliging.
  3. Sabotagealarm / herstel van de sabotagebeveiliging (als de sabotagebeveiliging is aangesloten).
  4. Verbonden apparaatalarmen/herstelmeldingen en andere gebeurtenissen.
  5. Gebeurtenissen van de rolluiksensor (indien aangesloten).
  6. Verlies/herstel van de verbinding tussen de integratiemodule en de hub.
  7. Verlies/herstel van de verbinding tussen de integratiemodule en de verbonden apparaten.
  8. Permanente deactivering/activering van de integratiemodule en verbonden apparaten.
  9. Eenmalige deactivering/activering van de integratiemodule en verbonden apparaten.
  10. Kortsluiting op de bus / herstel van voeding van verbonden apparaten.
  11. Kortsluiting op of schade aan de bus die apparaten van derden verbindt met de integratiemodule (voor EOL-verbindingen).
  12. Weerstandsfout in verbonden apparaten.
  13. Mislukte poging om een systeem in te schakelen (als de integriteitscontrole van het systeem is ingeschakeld).

Wanneer er een alarm wordt ontvangen, weet de operator van de meldkamer wat er is gebeurd en waar een responsteam heen gestuurd moet worden. Dankzij de adresseerbaarheid van Ajax-apparaten kan het systeem gebeurtenissen met het type apparaat, de naam, de beveiligingsgroep en de virtuele ruimte naar Ajax PRO Desktop en de meldkamer sturen. De lijst van verzonden waarden kan variëren, afhankelijk van het type bewakingssoftware en het geselecteerde communicatieprotocol.

Selectie van een installatieplaats

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra moet worden geïnstalleerd in een compatibele Ajax-behuizing. De integratiemodule is uitsluitend bedoeld voor installatie binnenshuis. Het is raadzaam om de integratiemodule uit het zicht te installeren, bijvoorbeeld in de berging. Dit helpt het risico op sabotage van de integratiemodule en de daarop aangesloten apparaten te verminderen.

Bij de keuze waar u Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra wilt installeren, moet u rekening houden met welke factoren van invloed zijn op de werking ervan:

U moet bij het ontwerpen van het systeem rekening houden met de installatieaanbevelingen. Alleen specialisten kunnen een Ajax-systeem ontwerpen en installeren. De lijst met aanbevolen partners is hier beschikbaar.

Installatie in Case

Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra kan worden geïnstalleerd in de volgende Ajax-behuizingen:

Elke Ajax-behuizing is voorzien van bevestigingspunten voor de module, kabelkanalen en een sabotagebeveiliging. De behuizing beschermt de module tegen externe schokken en geeft een sabotagealarm af als de sabotagebeveiliging is aangesloten.

Alle Ajax-behuizingen en -houders worden apart verkocht.

Fibra-signaalsterkte

De Fibra-signaalsterkte is de verhouding tussen de datapakketten die in een bepaalde periode afgeleverd had moeten worden en het aantal niet-afgeleverde of beschadigde pakketten. Het pictogram SignalStrength-M op het tabblad Apparaten HubFilled-M in de Ajax-apps geeft de signaalsterkte aan:

  • Drie streepjes — uitstekende signaalsterkte.
  • Twee streepjes — goede signaalsterkte.
  • Eén streepje — lage signaalsterkte; een stabiele werking wordt niet gegarandeerd.
  • Doorgestreept pictogram — geen signaal.

Wat is de Fibra-signaalsterktetest?

Plaatsen waar u de integratiemodule niet mag installeren

  1. Buitenshuis. Hierdoor kan de module defect raken.
  2. Op plaatsen met een temperatuur en vochtigheidsgraad buiten de toegestane grenzen. Dit kan de module beschadigen.
  3. Op plaatsen met een lage of instabiele signaalsterkte.
  4. Zonder een compatibele Case.

Kabelvereisten

Voor een verbinding via een Fibra-bus

Het maximale bereik van de bekabelde verbinding bedraagt 2.000 m via de Bustopologie (Radiale bekabeling)en 500 m via de Ringtopologie.

Aanbevolen kabeltypen voor het aansluiten van Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra op de hub:

  • U/UTP cat.5 4×2×0,51 mm (24 AWG) kabel, koperen geleider;
  • 4×0,22 mm2 signaalkabel, koperen geleider.

Een bekabeld apparaat aansluiten

Wij raden aan om een met koper beklede aluminium signaalkabel met een doorsnede van 0,22 mm² (ongeveer 24 AWG) te gebruiken.

De maximale lengte van de signaalkabel voor het aansluiten van apparaten van derden op Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra bedraagt 400 m. Echter, de maximale lengte kan variëren afhankelijk van het type kabel en de vereisten van de fabrikant van het apparaat. Er zijn geen andere kabeltypen getest.

Controleer de specifieke kabelvereisten in de gebruikershandleiding van het apparaat dat op de module zal worden aangesloten.

Ontwerp en voorbereiding

Om een correcte installatie en configuratie van het apparaat te garanderen, is het belangrijk om het systeem op de juiste wijze te ontwerpen. Bij het ontwerp moet rekening worden gehouden hoeveel en welke apparaten zich op de locatie bevinden, hun exacte locatie, op welke hoogte ze precies worden geplaatst, de lengte van de bekabelde Fibra-bussen, het gebruikte kabeltype, en andere factoren.

Tips voor het ontwerpen van een Fibra-systeem

Verificatie met de calculator

Gebruik de Fibra-voedingscalculator om te controleren of het ontwerp correct is en het systeem in de praktijk werkt. Met de calculator kunt u de verbindingskwaliteit en kabellengte controleren voor bekabelde Fibra-apparaten bij het ontwerpen van het systeem.

Kabelmanagement

Lees de gebruikershandleiding van het bekabelde apparaat van derden zorgvuldig door voordat u het aansluit op Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra. Neem bij vragen contact op met de technische ondersteuning van de fabrikant van het apparaat.

Als de basisregels voor installatie, de aanbevelingen in deze handleiding en de instructies van de fabrikanten van bekabelde apparaten van derden niet worden nageleefd, kan dit leiden tot een onjuiste werking en valse alarmen.

Houd bij het plannen waar de integratiemodule of aangesloten bekabelde apparaten geïnstalleerd moeten worden rekening met het diagram van de stroomkabels bij de faciliteit. Signaalkabels voor apparaten van het systeem moeten op een afstand van minstens 50 cm van de voedingskabels worden gelegd. Als kabels elkaar kruisen, behoud dan een hoek van 90°.

Voor locaties in aanbouw of bij renovatie moeten worden de kabels gelegd nadat de elektrische bekabeling van de locatie is geïnstalleerd. Gebruik beschermende buizen, kabelbinders, clips en nietjes om de kabels te ordenen en vast te zetten. Zorg ervoor dat de bevestigingsmiddelen de kabels of hun isolatie tijdens de installatie niet beschadigen.

Gebruik een kabelgoot voor elektra bij het extern leggen van kabels (zonder ze binnen de muren te monteren). Kabelgoten mogen niet meer dan de helft gevuld zijn met kabels. Laat de kabels niet doorhangen. Werk kabelgoten zoveel mogelijk uit het zicht weg, bijvoorbeeld achter meubilair.

Houd bij de installatie rekening met de door de fabrikant opgegeven buigradius. Anders loopt u het risico de kabel te beschadigen of te breken.

Controleer voor de installatie alle kabels op knikken en fysieke schade. Voer de installatie zo uit dat het risico op beschadiging van de kabels door externe factoren tot een minimum wordt beperkt.

Kabels voorbereiden op de aansluiting

Verwijder de isolatielaag en strip de kabel met een speciale kabelstripper. De uiteinden van de kabels die in de klemmen van het apparaat worden gestoken, moeten worden vertind of voorzien van een krimpkous. Dit zorgt voor een betrouwbare aansluiting en beschermt de geleider tegen oxidatie.

Controleer de specifieke kabelvereisten in de gebruikershandleiding van het apparaat dat op Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra wordt aangesloten. Volg deze vereisten om een stabiele werking van het apparaat te garanderen.

Installatie en verbinding

Bevestig Ajax Case met de integratiemodule op een verticaal oppervlak. Verticale installatie is nodig zodat de sabotagebeveiliging reageert als iemand probeert de behuizing los te maken.

De module installeren

  1. Schakel de voeding naar de Fibra-bussen uit in de Ajax PRO-app:

    • Hub → Instellingen Settings-M → Kabels → Voeding bussen

  2. Bereid de gaten voor kabels voor in de behuizing waarin de integratiemodule wordt geïnstalleerd. Raadpleeg de bijbehorende Case gebruikershandleiding.

  3. Voer de kabel voor het aansluiten van de integratiemodule op de Fibra-bus, evenals de kabels van het bekabelde apparaat in de behuizing door de voorbereide gaten.

  4. Installeer de integratiemodule in de behuizing.

  5. Verbind de kabels met de overeenkomstige klemmen van de hub of het apparaat op de Fibra-bus waarop de integratiemodule wordt aangesloten. Houd u aan de juiste polariteit en de juiste volgorde voor het aansluiten van de kabels. Bevestig de kabels stevig in de aansluitklemmen.

    De module installeren

    +24V — 24 V⎓ voedingsaansluiting

    A, B — signaalklemmen

    GND — aarde

  6. Sluit de kabels volgens onderstaand diagram aan op de aansluitklemmen van de integratiemodule. Houd u aan de juiste polariteit en de juiste volgorde voor het aansluiten van de kabels. Bevestig de kabels stevig in de aansluitklemmen.

    Aansluitklemmen van de integratiemodule
    1. Bereid alvast een tweede kabel voor als de module niet de laatste apparaat op de bus is. De uiteinden van de eerste en tweede kabel die in de klemmen van de module worden gestoken, moeten worden vertind en aan elkaar gesoldeerd of met speciale adereindhulzen worden gekrompen.

      De module installeren
    2. Als de module het laatste apparaat op de kabel is en u de Busverbinding (Radiaal) gebruikt, installeer dan een jumper op de twee overeenkomstige pinnen op het paneel van de integratiemodule. Er is geen jumper nodig als een ringverbinding wordt gebruikt.

      De module installeren
  7. Sluit bekabelde apparaten aan op de integratiemodule en bevestig de kabels stevig in de klemmen. Het bekabelingsschema is voorzien in de gebruikershandleiding van de fabrikant van het bekabelde apparaat.

    Als een bekabeld apparaat 12 V⎓ voedingsspanning vereist, kan het worden aangesloten op de voedingsklemmen van de bijbehorende zone van de integratiemodule.

  8. Installeer en verbind de sabotagebeveiliging van de behuizing met de overeenkomstige aansluiting van de integratiemodule als het paneel nog niet is geïnstalleerd en verbonden is met een ander apparaat in de behuizing.

    Sabotagebeveiliging van de behuizing
  9. Zet de kabels in de behuizing vast met kabelbinders.

  10. Schakel de voeding naar de Fibra-bussen in de Ajax PRO-app in:

    • Hub → Instellingen Settings-M → Kabels → Voeding bussen

  11. Voeg de integratiemodule toe aan de hub.

  12. Voeg de aangesloten bekabelde apparaten toe aan het systeem.

  13. Plaats het voordeksel op de behuizing en zet het vast met de meegeleverde schroeven.

  14. Voer de functionaliteitstest voor de module uit.

Bekabelde apparaten aansluiten op de module

  1. Schakel de voeding naar Fibra-bussen uit in de Ajax PRO-app:

    • Hub → Instellingen Settings-M → Kabels → Voeding bussen

  2. Schroef het deksel van de behuizing los en verwijder deze.

  3. Selecteer de zone van de integratiemodule waarmee u een apparaat wilt verbinden.

  4. Leid de kabel van het apparaat van derden in de behuizing.

  5. Sluit bekabelde apparaten aan op de integratiemodule en bevestig de kabels stevig in de klemmen. Het bekabelingsschema is voorzien in de gebruikershandleiding van de fabrikant van het bekabelde apparaat.

    Als een bekabeld apparaat 12 V⎓ voedingsspanning vereist, kan het worden aangesloten op de voedingsklemmen van de bijbehorende zone van de integratiemodule.

  6. Zet de kabel in de behuizing vast met kabelbinders.

  7. Schakel de voeding naar Fibra-bussen in de Ajax PRO-app:

    • Hub → Instellingen Settings-M → Kabels → Voeding bussen

  8. Voeg de aangesloten bekabelde apparaten toe aan het systeem.

  9. Controleer de werking van de verbonden bekabelde apparaten.

  10. Plaats het voordeksel op de behuizing en zet het vast met de meegeleverde schroeven.

Een bekabeld apparaat aansluiten op de integratiemodule

Aan het systeem toevoegen

Voordat u de module toevoegt

  1. Installeer een Ajax PRO-app.
  2. Log in op uw PRO-account of maak een nieuw account aan.
  3. Selecteer een space of maak een nieuwe aan.
  4. Voeg minstens één virtuele ruimte toe.
  5. Voeg een compatibele hub toe aan de space. Zorg dat de hub aanstaat en toegang heeft tot het internet via een ethernetkabel, wifi, en/of een mobiel netwerk.
  6. Controleer de status in de Ajax-app om er zeker van te zijn dat de space is uitgeschakeld en de hub geen update start.

De module toevoegen aan de hub

In een Ajax PRO-app zijn er twee manieren beschikbaar om apparaten toe te voegen: automatisch en handmatig.

Automatisch

Om een apparaat automatisch toe te voegen:

  1. Open een Ajax PRO-app. Selecteer de space waaraan u de integratiemodule wilt toevoegen.

  2. Ga naar het tabblad Apparaten HubFilled-M en tik op Apparaat toevoegen.

  3. Selecteer Voeg alle Fibra-apparaten toe. De hub scant dan de Fibra-bussen. Nadat het scannen is voltooid, worden alle apparaten die op de hub zijn aangesloten en nog aan het systeem moeten worden toegevoegd, weergegeven.

  4. Selecteer een apparaat uit de lijst. De led-indicatie begint te knipperen om dit apparaat te identificeren.

  5. Stel de apparaatnaam in en specificeer de ruimte en beveiligingsgroep als Groepsmodus is ingeschakeld.

  6. Klik op Opslaan.

Het apparaat dat verbonden is met de hub verschijnt in de lijst met apparaten van de hub in de Ajax-app.

Handmatig

Om een apparaat handmatig toe te voegen:

  1. Open een Ajax PRO-app. Selecteer de space waaraan u de integratiemodule wilt toevoegen.

  2. Ga naar het tabblad Apparaten HubFilled-M en tik op Apparaat toevoegen.

  3. Scan een QR-code of selecteer Voer de code handmatig in om de apparaat-ID handmatig in te voeren. De QR-code met de apparaat-ID is geplaatst op het paneel van de module. De QR-code staat ook op de verpakking van het apparaat.

    QR-code
  4. Geef de integratiemodule een naam.

  5. Selecteer een virtuele ruimte en een beveiligingsgroep (als de Groepsmodus is ingeschakeld).

  6. Druk op Toevoegen.

Als de verbindingspoging mislukt, controleer dan of de bekabelde verbinding correct is geïnstalleerd voordat u het opnieuw probeert. Als het maximum aantal apparaten wat toegevoegd kan worden aan de hub is bereikt, verschijnt er een foutmelding wanneer u probeert om een ander apparaat toe te voegen.

Zodra de module is toegevoegd aan de hub, verschijnt het in de lijst met hub-apparaten in de Ajax-app. Het update-interval van de status van het apparaat is afhankelijk van de Jeweller/Fibra-instellingen; de standaardwaarde is 36 seconden.

Een verbonden bekabeld apparaat toevoegen aan het systeem

  1. Ga in de Ajax-app naar het tabblad Apparaten HubFilled-M.
  2. Zoek Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra in de lijst.
  3. Selecteer Apparaten onder het pictogram van de module.
  4. Druk op Apparaat toevoegen.
  5. Geef het apparaat een naam.
  6. Selecteer de bekabelde ingang waarop het apparaat fysiek is aangesloten.
  7. Selecteer een virtuele ruimte.
  8. Druk op Apparaat toevoegen. Het apparaat zal binnen 30 seconden worden toegevoegd.

Het update-interval van de status van het apparaat is afhankelijk van de Jeweller/Fibra -instellingen; het standaardinterval is 36 seconden.

Als de verbindingspoging mislukt, controleer dan of de bekabelde verbinding correct is geïnstalleerd voordat u het opnieuw probeert. Als het maximum aantal apparaten wat toegevoegd kan worden aan de hub is bereikt, verschijnt er een foutmelding wanneer u probeert om een ander apparaat toe te voegen.

Functionaliteitstesten voor de module

Een Ajax-systeem biedt verschillende soorten testen om de juiste installatieplaats voor apparaten te selecteren. Voor Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra zijn de volgende tests beschikbaar:

  • Fibra-signaalsterktetest — om de signaalsterkte en stabiliteit tussen de hub en de integratiemodule te bepalen via het bekabelde Fibra-protocol voor gegevensoverdracht op de installatielocatie.
  • Voedingstest bussen — voor het testen van de voeding van de bekabelde apparaten van het systeem. De test simuleert het maximaal mogelijke stroomverbruik van apparaten die met de hub verbonden zijn om te bepalen of alle apparaten in elke situatie over voldoende stroom beschikken.

Pictogrammen

De iconen in de Ajax-app tonen bepaalde statussen van Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra en verbonden apparaten. U kunt de pictogrammen bekijken in het tabblad Apparaten HubFilled-M.

Pictogrammen van de module

Pictogram

Betekenis

SignalStrength-M

Fibra-signaalsterkte. Dit geeft de signaalsterkte tussen de hub en de module weer. De aanbevolen waarde is 2 - 3 streepjes.

Meer informatie

FireRed-M

Een branddetector die is aangesloten op de integratiemodule heeft een alarm geregistreerd.

UpdateRed-M

Er is een firmware-update beschikbaar. Ga naar de statussen of instellingen van de module om de beschrijving te vinden en een update te starten.

label-updating

Firmware-update wordt uitgevoerd: de nieuwste versie wordt gedownload/geïnstalleerd.

TemporaryDeactivationWholeDevice-S-red

De module is permanent gedeactiveerd.

Meer informatie

TemporaryDeactivationTamperRed-M

Meldingen van de sabotagebeveiliging zijn permanent uitgeschakeld.

Meer informatie

OneTimeDeactivationWholeDevice-S

De module is gedeactiveerd totdat het systeem wordt uitgeschakeld.

Meer informatie

OneTimeDeactivationTamper-S

Meldingen over sabotage-alarmen zijn uitgeschakeld totdat het systeem wordt uitgeschakeld.

Meer informatie

Offline

De module heeft de verbinding met de hub verloren of de hub heeft de verbinding met de Ajax Cloud-server verloren.

not-transferred

De module is niet overgezet naar de nieuwe hub.

Meer informatie

Pictogrammen van verbonden apparaten

Pictogram

Betekenis

Bell-M

De Bel-functie is ingeschakeld.

Meer informatie

DelayWhenLeaving-M

DelayWhenEntering-M

In-/uitloopvertraging is ingeschakeld.

Meer informatie

AlwaysActive-M

Het apparaat werkt in de modus Altijd actief.

Meer informatie

NightMode-M

Het apparaat werkt wanneer de Deelinschakeling is ingeschakeld.

Meer informatie

Monitoring-M

Het apparaat stuurt geen meldingen naar een meldkamer.

Meer informatie

ExternalContact-S

De status van het apparaat is OK.

Wordt alleen weergegeven voor EOL-, NC-, NO- en rolluikaansluitingen.

ExternalContactRed-S

Het apparaat is kortgesloten.

Wordt alleen weergegeven voor EOL-, NC-, NO- en rolluikaansluitingen.

WITamper-S

De status van de sabotagebeveiliging van het apparaat is OK.1

WITamperRed-S

Sabotagealarm van apparaat.1

WIIntrusion-S

De status van de inbraaksensor is OK.1

WIIntrusionRed-S

Inbraakalarm.1

WIMedicalHelp-S

De status van de hulpknop is OK.*1

WIMedicalHelpRed-S

Alarm wanneer de hulpknop wordt ingedrukt.1

Alarm-S

De status van de paniekknop is OK.1

AlarmRed-S

Alarm wanneer de paniekknop wordt ingedrukt.1

WIGasAlarm-S

De status van de gassensor is OK.1

WIGasAlarmRed-S

Alarm wanneer de gasconcentratie de drempelwaarde overschrijdt.1

WIMalfunction-S

De status van het apparaat is OK.1

WIMalfunctionRed-S

Er is een storing van het apparaat gedetecteerd.1

Leakage-S

De status van de lekkagesensor is OK.1

LeakageRed-S

Alarm bij detectie van lekkage.1

GlassBreakBlack-M

De status van de glasbreuksensor is OK.1

GlassBreak-M

Alarm bij detectie van glasbreuk.1

TemperatureRiseAlert-M

De status van de hoge temperatuursensor is OK.1

TemperatureRiseAlertRed-M

Alarm wanneer de bovenste temperatuurgrens wordt overschreden.1

LowTemperatureAlert-M

De status van de lage temperatuursensor is OK.1

LowTemperatureAlertRed-M

Alarm wanneer de temperatuur onder de ingestelde ondergrens daalt.1

Antimasking-M

De status van de maskeringssensor is OK.1

AntimaskingRed-M

Alarm bij detectie van maskering.1

KeyboardAlarm-M

De status van de dwangcode van het apparaat is OK.1

KeyboardAlarmRed-M

Alarm wanneer het systeem wordt uitgeschakeld met een dwangcode.1

SeismicSensor-M

De status van de trillingssensor (seismisch) is OK.1

SeismicSensorRed-M

Alarm wanneer de seismische sensor geactiveerd wordt.1

Alarm-S

De status van het apparaat waarvoor het aangepaste gebeurtenistype is geselecteerd, is OK.1

AlarmRed-S

Het alarm van het apparaat waarvoor het aangepaste type gebeurtenis is geselecteerd.1

Keyarm-M

De sensor werkt in de modus Wijzig beveiligingsmodus.1

BlockingElement-M

De status van het blokkeerelement.1

BoltContact-M

De status van het grendelslot.1

TemporaryDeactivationAlarmsRed-M

Het apparaat is automatisch uitgeschakeld omdat het maximum aantal alarmen is overschreden.

Meer informatie

TemporaryDeactivationTimer-M-2

Het apparaat wordt automatisch uitgeschakeld wanneer de hersteltimer afloopt.

Meer informatie

TemporaryDeactivationWholeDevice-S-red

Het apparaat is uitgeschakeld door de systeemgebruiker.

Meer informatie

OneTimeDeactivationWholeDevice-S

Het apparaat is gedeactiveerd totdat het systeem wordt uitgeschakeld.

Meer informatie

1 Alleen weergegeven bij 2EOL- en 3EOL-verbindingen.

Statussen

Statussen van de module

Het statusscherm bevat informatie over de integratiemodule en de bedrijfswaarden. De statussen van Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra vindt u in de Ajax-apps:

  1. Ga naar het tabblad Apparaten HubFilled-M.
  2. Selecteer Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra in de lijst.

Waarde

Betekenis

Gegevensimport

Geeft een fout weer tijdens de gegevensoverdracht naar de nieuwe hub:

  • Mislukt — de integratiemodule is niet overgezet naar de nieuwe hub.

Meer informatie

Firmware-update

Geeft de status van de firmware-update weer als er een nieuwe versie beschikbaar is:

  • UpdateRed-M Nieuwe firmwareversie beschikbaar. Door op Info-M te drukken, worden de instructies voor het updaten van de firmware van de module geopend.
  • UpdateErrorRed-M Kan firmware niet bijwerken. Door op Info-M te drukken, worden de instructies voor het updaten van de firmware van de module geopend.

Storing

Als u op Info-M tikt, wordt de lijst met storingen van het apparaat geopend.

Het veld wordt alleen weergegeven als er een storing is gedetecteerd.

Fibra-signaalsterkte

Signaalsterkte tussen de module en de hub via het Fibra-protocol. De aanbevolen waarde is 2 - 3 streepjes.

Fibra is een protocol voor het verzenden van alarmen en andere gebeurtenissen.

Meer informatie

Verbinding via Fibra

Verbindingsstatus tussen de module en de hub via het Fibra-protocol:

  • Online — de module is verbonden met de hub. Normale status.
  • Offline — de module is niet verbonden met de hub. Controleer de verbinding.

Busspanning

De spanning op de Fibra-bus waarmee de module is verbonden.

Deksel

Status van de sabotagebeveiliging die wordt geactiveerd wanneer de behuizing wordt losgemaakt van het oppervlak of de integriteit ervan geschonden is:

  • Niet verbonden de sabotagebeveiliging is niet verbonden met de integratiemodule.
  • Deksel voorzijde open — de integriteit van de voorklep van de behuizing is aangetast.
  • Gesloten — de integriteit van de behuizing is niet aangetast. Normale status.
  • Losgemaakt van montageplaats — de behuizing is losgemaakt van de montageplaats.
  • Losgemaakt van oppervlak en deksel voorzijde open — de behuizing is losgekoppeld van het oppervlak en de integriteit van de voorklep is geschonden.

Meer informatie

Voeding voor aangesloten apparaten

Voedingsstatus van verbonden apparaten:

  • Ingeschakeld — de voeding is ingeschakeld.
  • Uitgeschakeld — de voeding is uitgeschakeld.

Voedingsstatus voor invoerapparaten

Status van de voedingskabel met verbonden bekabelde apparaten:

  • OK — de voedingskabel functioneert correct.
  • Kortgesloten — de voedingskabel is kortgesloten.
  • Overbelast — de voedingskabel is overbelast.
  • Lage spanning — er is lage spanning gedetecteerd op de voedingskabel.

Permanente deactivering

Het veld geeft de status van de permanente deactiveringsfunctie van de module weer:

  • Nee — de module werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — de beheerder van de space heeft de module volledig uitgeschakeld. Het voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.
  • Alleen deksel — de beheerder van de space heeft meldingen over sabotagealarmen uitgeschakeld.

Meer informatie

Eenmalige deactivering

Het veld geeft de status van de eenmalige deactivering van het apparaat weer:

  • Nee — de module werkt normaal.
  • Volledig — de module is volledig uitgeschakeld totdat het systeem wordt uitgeschakeld. Het apparaat voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.
  • Alleen deksel — sabotagealarmen zijn uitgeschakeld totdat het systeem wordt uitgeschakeld.

Meer informatie

Firmware

Firmwareversie van de module.

Apparaat-ID

ID van de module. Het is ook beschikbaar via de QR-code op het paneel en op de verpakking van de module.

Apparaatnr.

Nummer van de module. Dit wordt verzonden naar de meldkamer bij een alarm of andere gebeurtenis in het systeem.

Busnummer.

Het nummer van de Fibra-bus op de hub waarmee het apparaat verbonden is. Wordt weergegeven als de Busverbinding (Radiaal) wordt gebruikt.

Ring nr.

Het nummer van de Fibra-ring op de hub waarmee het apparaat verbonden is. Wordt weergegeven als de Ringverbinding wordt gebruikt.

LineSupply

Het veld wordt weergegeven als de integratiemodule wordt verbonden na Superior LineSupply Fibra op de Fibra-bus.

Statussen van verbonden apparaten

Het statusscherm bevat informatie over de aangesloten apparaten en hun bedrijfswaarden. U kunt de statussen van de apparaten die zijn aangesloten op Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra bekijken in de Ajax-apps:

  1. Ga naar het tabblad Apparaten HubFilled-M.
  2. Zoek Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra in de lijst.
  3. Selecteer Apparaten onder het pictogram van de module.
  4. Selecteer het apparaat uit de lijst.

Waarde

Betekenis

Storing

Wanneer u op de Info-M drukt, wordt de lijst met storingen van verbonden bekabelde apparaten geopend.

Het veld wordt alleen weergegeven als er een storing is gedetecteerd.

Naam van het aangesloten bekabelde apparaat

Verbindingsstatus op de kabel tussen Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra en een aangesloten bekabeld apparaat:

  • Online — het apparaat is verbonden met de integratiemodule. Normale status.
  • Offline — het apparaat is niet verbonden met de integratiemodule. Controleer de verbinding van het apparaat.

Apparaatstatus

Status van het verbonden bekabelde apparaat:

  • OK — het apparaat werkt normaal. De status is beschikbaar voor de verbindingstypen Zonder EOL, EOL, en Rolluik.
  • Alarm — het apparaat heeft een alarm geactiveerd. De status is beschikbaar voor de verbindingstypen Zonder EOL, EOL, en Rolluik.
  • Kortgesloten — het apparaat is kortgesloten. De status is beschikbaar voor verbindingstypen 2EOL, 3EOL en EOL met de status Normaal gesloten.
  • Contacten beschadigd — wordt weergegeven als de verbinding van het apparaat is verbroken. De status is beschikbaar voor de verbindingstypen Rolluik en EOL met de status Normaal open.

  • Gesloten — de status is beschikbaar voor de verbindingstypen Zonder EOL en EOL wanneer de optie Wijzig beveiligingsmodus is geselecteerd voor de sensormodus.
  • Open — de status is beschikbaar voor de verbindingstypen Zonder EOL en EOL wanneer de optie Wijzig beveiligingsmodus is geselecteerd voor de sensormodus.

  • Vergrendeld — de status is beschikbaar voor Zonder EOL- en EOL-verbindingstypen wanneer de optie Beheer van blokkeerelement of Beheer van grendelslot is geselecteerd voor de sensormodus.
  • Ontgrendeld — de status is beschikbaar voor Zonder EOL- en EOL-verbindingstypen wanneer de optie Beheer van blokkeerelement of Beheer van grendelslot is geselecteerd voor de sensormodus.

"Naam van het geselecteerde type gebeurtenis" Sensor 1

Weergegeven voor de verbindingstypen 2EOL en 3EOL

Status van het verbonden bekabelde apparaat:

  • OK — het aangesloten apparaat werkt normaal.
  • Alarm — het verbonden apparaat heeft een alarm geactiveerd.

Status inschakelschakelaar

Wordt weergegeven voor de verbindingstypen 2EOL en 3EOL wanneer de optie Wijzig beveiligingsmodus is geselecteerd als Sensormodus (voor Sensor 2)

Status van het verbonden bekabelde apparaat:

  • Gesloten
  • Geopend

Status blokkeerelement

Weergegeven voor de verbindingstypen 2EOL en 3EOL wanneer de optie Beheer van blokkeerelement is geselecteerd voor Sensormodus (voor Sensor 2)

Status van het aangesloten blokkeerelement:

  • Vergrendeld
  • Ontgrendeld

Status grendelslot

Weergegeven voor de verbindingstypen 2EOL en 3EOL wanneer de optie Beheer van grendelslot is geselecteerd als Sensormodus (voor Sensor 2)

Status van het aangesloten grendelslot:

  • Vergrendeld
  • Ontgrendeld

Altijd actief

Indien ingeschakeld, is het apparaat dat is verbonden met de integratiemodule constant ingeschakeld en meldt het alarmen.

U kunt de optie alleen voor bepaalde gebeurtenistypen configureren.

Meer informatie

Weerstand van het apparaat

Weergegeven voor de verbindingstypen EOL, 2EOL, en 3EOL

De totale weerstand van de op het apparaat aangesloten weerstand(en), wordt automatisch gemeten.

De waarden kunnen ook handmatig worden ingesteld in stappen van 100 Ω.

Permanente deactivering

Status van de instelling voor permanente deactivering van het apparaat:

Er zijn twee opties beschikbaar:

  • Nee — het apparaat werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — de beheerder van de space heeft het apparaat volledig uitgeschakeld. Het voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.

Meer informatie

U kunt ook de deactivering van het apparaat configureren:

  • Op aantal alarmen — het systeem ontkoppelt het apparaat wanneer het ingestelde aantal alarmen wordt overschreden.
  • Op timer — het apparaat wordt automatisch ontkoppeld wanneer de hersteltimer verloopt.

De functie wordt geconfigureerd in de Ajax PRO-app.

Meer informatie

Eenmalige deactivering

Status van de instelling voor eenmalige deactivering van het apparaat:

  • Nee — het apparaat werkt normaal.
  • Volledig — het apparaat is volledig uitgeschakeld totdat het systeem wordt uitgeschakeld. Het apparaat voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.

Meer informatie

Reactie op alarmen

Bedrijfsmodus

Geeft weer hoe het apparaat reageert op alarmen:

  • Direct alarm — het apparaat in de ingeschakelde modus reageert onmiddellijk op een dreiging en slaat alarm.
  • Ingang/uitgang — wanneer een vertraging is ingesteld, start het ingeschakelde apparaat het aftellen en wordt er geen alarm geactiveerd, zelfs niet als het wordt geactiveerd voordat het aftellen is afgelopen.
  • Follower — het apparaat neemt de vertragingen van in-/uitloopapparaten over. Echter, wanneer het Follower-apparaat individueel wordt geactiveerd, wordt er onmiddellijk een alarm geactiveerd.

Vertraging bij binnenkomst

Inloopvertraging (vertraging van alarmactivatie) is de tijd die een gebruiker heeft om het systeem uit te schakelen nadat men de ruimte is binnengegaan.

Meer informatie

Vertraging bij vertrek

Uitloopvertraging (vertraging van inschakeling) is de tijd die een gebruiker heeft om het gebouw te verlaten nadat het systeem is ingeschakeld.

Meer informatie

Inschakelen bij deelinschakeling

Als deze optie ingeschakeld is, wordt de ingeschakelde modus van het apparaat geactiveerd als het systeem ingesteld is op de Deelinschakeling.

Meer informatie

Inloopvertragingen in deelinschakeling

Inloopvertraging in Deelinschakeling. Inloopvertraging (vertraging van alarmactivatie) in Deelinschakeling is de tijd die een gebruiker heeft om de Deelinschakeling uit te schakelen nadat men de ruimte is binnengegaan.

Meer informatie

Uitloopvertragingen in deelinschakeling

Uitloopvertraging in Deelinschakeling. Uitloopvertraging (vertraging van inschakeling) in de Deelinschakeling is de tijd die een gebruiker heeft om het gebouw te verlaten nadat de Deelinschakeling is ingeschakeld.

Meer informatie

Deelinschakeling vertraging

Inloopvertraging in Deelinschakeling wanneer het apparaat is ingesteld op de bedrijfsmodus Follower. Dit is de tijd die de gebruiker heeft om Deelinschakeling (vertraging van alarmactivatie) uit te schakelen nadat het In-/uitloopapparaat is geactiveerd.

Meer informatie

Bekabelde ingang

Het nummer van de zone van Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra waarop een bekabeld apparaat is aangesloten.

Apparaatnr.

Nummer van de apparaatloop (zone).

Instellingen

Instellingen van de module

Om de instellingen van Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra te wijzigen, in de Ajax-app:

  1. Ga naar het tabblad Apparaten HubFilled-M.
  2. Selecteer Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra in de lijst.
  3. Ga naar de Instellingen Settings-M.
  4. Stel de vereiste waarden in.
  5. Druk op Terug om de nieuwe instellingen op te slaan.

Instelling

Betekenis

Naam

Naam van de integratiemodule. Wordt getoond in de lijst van alle hub-apparaten, sms-berichten en notificaties in het logboek.

Als u de naam wilt aanpassen, klikt u op het tekstveld.

De naam kan uit maximaal 24 Latijnse tekens of 12 Cyrillische tekens bestaan.

Ruimte

Hiermee kan een gebruiker de virtuele ruimte selecteren waaraan de integratiemodule is toegewezen.

De naam van de ruimte wordt weergegeven in sms-berichten en meldingen in het logboek.

Werking van het apparaat:

Voeding voor invoerapparaten

Hiermee kan een gebruiker de voeding van aangesloten apparaten inschakelen.

Deze optie is standaard uitgeschakeld.

Alarm met sirene:

Als de voeding van een aangesloten apparaat is kortgesloten

Indien ingeschakeld, worden de op het systeem aangesloten sirenes geactiveerd wanneer er een kortsluiting wordt gedetecteerd op de voedingskabel van apparaten die op de integratiemodule zijn aangesloten.

Firmware-update

Hiermee kan een gebruiker de module overschakelen naar de modus voor de firmware-update als er een nieuwe versie beschikbaar is.

Fibra-signaalsterktetest

Hiermee kan een gebruiker de module overschakelen naar de modus voor de Fibra-signaalsterktetest.

Met deze test kunt u de signaalsterkte tussen de hub en het apparaat via het protocol voor bekabelde Fibra-gegevensoverdracht controleren om zo de optimale installatieplaats te bepalen.

Meer informatie

Bewaking

Opent het menu met instellingen voor Bewaking:

  • Stuur gebeurtenissen naar de meldkamer — met deze optie kunnen PRO-gebruikers het sturen van gebeurtenissen naar de bewakingssoftware voor het apparaat in- of uitschakelen. Deze optie is standaard ingeschakeld.

De instellingen voor Bewaking zijn alleen beschikbaar in de Ajax PRO-apps.

Meer informatie

Gebruikershandleiding

Hiermee kan een gebruiker de gebruikershandleiding van Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra openen in de Ajax-app.

Permanente deactivering

Hiermee kan de gebruiker de module uitschakelen zonder het uit het systeem te verwijderen.

Er zijn drie opties beschikbaar:

  • Nee — de module werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — de module voert geen systeemopdrachten uit en neemt niet deel aan automatiseringsscenario's; het systeem negeert alarmen en andere gebeurtenissen van het apparaat.
  • Alleen deksel — het systeem negeert sabotagealarmen.

Meer informatie

Eenmalige deactivering

Hiermee kan een gebruiker de module uitschakelen totdat het systeem wordt uitgeschakeld.

Er zijn drie opties beschikbaar:

  • Nee — de module werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — de module is volledig uitgeschakeld totdat het systeem wordt uitgeschakeld. De module voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.
  • Alleen deksel — sabotagealarmen zijn uitgeschakeld totdat het systeem wordt uitgeschakeld.

Meer informatie

Apparaat verwijderen

Hiermee kan de gebruiker de module verwijderen van de hub.

Instellingen voor verbonden apparaten

Zo past u de instellingen van het aangesloten apparaat aan in de Ajax-app:

  1. Ga naar het tabblad ApparatenHubFilled-M.
  2. Zoek Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra in de lijst.
  3. Selecteer Apparaten onder het pictogram van Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra.
  4. Selecteer het apparaat uit de lijst.
  5. Ga naar Instellingen.
  6. Configureer de vereiste instellingen.
  7. Druk op Terug om de nieuwe instellingen op te slaan.

Zonder EOL

Instelling

Betekenis

Naam

Naam van het bekabelde apparaat. Wordt getoond in de lijst van alle hub-apparaten, sms-berichten en notificaties in het logboek.

Als u de naam wilt aanpassen, klikt u op het tekstveld.

De naam kan uit maximaal 24 Latijnse tekens of 12 Cyrillische tekens bestaan.

Ruimte

Selecteer de virtuele ruimte waaraan het apparaat is toegewezen.

De naam van de ruimte wordt weergegeven in sms-berichten en meldingen in het logboek.

Invoertype

Selecteer het verbindingstype voor een apparaat van derden:

  • Zonder EOL
  • EOL
  • 2EOL
  • 3EOL
  • Rolluik

Sensormodus

Selecteer de sensormodus voor het aangesloten apparaat:

  • Detecteer alarmen
  • Wijzig ingeschakelde modi
  • Beheer van blokkeerelement
  • Beheer van grendelslot

Type gebeurtenis

Selecteer een gebeurtenistype voor het aangesloten apparaat. Raadpleeg het gedeelte Soorten bekabelde apparaten voor meer informatie.

De tekst van de meldingen in het logboek, sms-berichten, en de code die naar de meldkamer wordt gestuurd, hangt af van het gekozen type gebeurtenis.

Deze instelling is beschikbaar als de optie Detecteer alarmen is geselecteerd voor de instelling Sensormodus.

Instellingen inschakelschakelaar

Configureer de schakelaar voor de beveiligingsmodus als de optie Wijzig beveiligingsmodus is geselecteerd als Sensormodus:

  • selecteer een vooraf ingestelde actie voor het inschakelen van het systeem;
  • selecteer de Beveiligingsobjecten die moeten worden beheerd door KeyArm;
  • voor het aanpassen van Onmiddellijk inschakelen ondanks gedetecteerde systeemstoringen.

Meer informatie

Standaardstatus

Selecteer de normale contactstatus van het aangesloten apparaat:

  • Normaal gesloten
  • Normaal open

Bedrijfsmodus

Selecteer de bedrijfsmodus voor het aangesloten apparaat:

  • Bistabiel — bijvoorbeeld voor een openingsdetector. Na een alarm wordt er een herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.
  • Puls — bijvoorbeeld voor een bewegingsdetector. Nadat een alarm is geactiveerd, wordt er geen herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.

Zorg ervoor dat u een type instelt dat overeenkomt met het aangesloten apparaat.

Een gepulseerde detector in Bistabiele modus genereert onnodige herstelgebeurtenissen.

Een bistabiele detector in de Pulsmodus verstuurt daarentegen geen herstelgebeurtenissen.

Altijd actief

Indien ingeschakeld, is het apparaat dat is verbonden met de integratiemodule constant ingeschakeld en meldt het alarmen.

Een gebruiker kan de optie alleen voor bepaalde gebeurtenistypen configureren.

Deze instelling is niet beschikbaar als de optie Wijzig beveiligingsmodus is geselecteerd als Sensormodus.

Meer informatie

Meld wijzigingen van de status van het grendelslot

Indien deze optie is ingeschakeld, ontvangt de gebruiker een melding telkens wanneer de status van het grendelslot verandert.

Deze optie is beschikbaar als de Beheer van grendelslot optie is geselecteerd als Sensormodus.

Pulstijd

Pulsduur van het apparaat voor het activeren van het alarm:

  • 20 ms
  • 100 ms (standaard)
  • 1 s

Er gaat een alarm af als de puls van het apparaat langer duurt dan de geconfigureerde pulstijd. Dit helpt bij het filteren van valse alarmen.

Interval voor het verzenden van gebeurtenissen

Voor het configureren van de minimale interval voor het verzenden van gebeurtenissen van een apparaat van derden naar de hub.

Het interval kan worden ingesteld van 5 seconden tot 10 minuten.2

Standaardwaarde: Standaardinstellingen apparaat (het interval bepaald door de reactietijd van het apparaat van derden).

2 Om te voldoen aan EN 50131 mag de waarde niet meer zijn dan 10 seconden.

Alarm met sirene als er een alarm gedetecteerd wordt

Wanneer deze optie is ingeschakeld, activeren de sirenes die aan het systeem zijn toegevoegd als er een alarm wordt geactiveerd.

Deze instelling is beschikbaar als de optie Detecteer alarmen is geselecteerd voor de instelling Sensormodus.

Belinstellingen

De Bel configureren. Deze functie is alleen beschikbaar voor apparaten die in de modus Bistabiel werken.

Deze functie is niet beschikbaar voor sensoren in de modus Puls of Altijd actief.

Meer informatie

Reactie op alarmen

Bedrijfsmodus

Selecteer hoe het apparaat reageert op alarmen:

  • Direct alarm — het apparaat in de ingeschakelde modus reageert onmiddellijk op een dreiging en slaat alarm.
  • Ingang/uitgang — wanneer een vertraging is ingesteld, start het ingeschakelde apparaat het aftellen en wordt er geen alarm geactiveerd, zelfs niet als het wordt geactiveerd voordat het aftellen is afgelopen.
  • Follower — het apparaat neemt de vertragingen van in-/uitloopapparaten over. Wanneer het Follower-apparaat afzonderlijk wordt geactiveerd, wordt er onmiddellijk een alarm afgegeven.

Deze instelling is beschikbaar als de optie Detecteer alarmen is geselecteerd voor de instelling Sensormodus.

Vertraging bij binnenkomst

Inloopvertraging: 5 tot 255 seconden.

Inloopvertraging (vertraging van alarmactivatie) is de tijd die een gebruiker heeft om het systeem uit te schakelen nadat men de ruimte is binnengegaan.

Meer informatie

Vertraging bij vertrek

Uitloopvertraging: 5 tot 255 seconden.

Uitloopvertraging (vertraging van inschakeling) is de tijd die een gebruiker heeft om het gebouw te verlaten nadat het systeem is ingeschakeld.

Meer informatie

Inschakelen bij deelinschakeling

Als deze optie ingeschakeld is, wordt de ingeschakelde modus van het apparaat geactiveerd als het systeem ingesteld is op Deelinschakeling.

Meer informatie

Inloopvertragingen in deelinschakeling

Inloopvertraging in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Inloopvertraging (vertraging van alarmactivatie) in Deelinschakeling is de tijd die een gebruiker heeft om de Deelinschakeling uit te schakelen nadat men de ruimte is binnengegaan.

Meer informatie

Uitloopvertragingen in deelinschakeling

Uitloopvertraging in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Uitloopvertraging (vertraging van inschakeling) in Deelinschakeling is de tijd die een gebruiker heeft om het pand te verlaten nadat Deelinschakeling is ingeschakeld.

Meer informatie

Deelinschakeling vertraging

Vertragingstijd in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Dit is de tijd die de gebruiker heeft om de Deelinschakeling (vertraging van alarmactivatie) uit te schakelen nadat het In-/uitloopapparaat is geactiveerd.

De instelling wordt weergegeven als het apparaat is ingesteld op de bedrijfsmodus Follower en de optie Inschakelen bij deelinschakeling is ingeschakeld.

Meer informatie

Bewaking

Opent het menu met instellingen voor Bewaking:

  • Stuur gebeurtenissen naar de meldkamer — met deze optie kunnen PRO-gebruikers het sturen van gebeurtenissen naar de bewakingssoftware voor het apparaat in- of uitschakelen. Deze optie is standaard ingeschakeld.

De instellingen voor Bewaking zijn alleen beschikbaar in de Ajax PRO-apps.

Meer informatie

Permanente deactivering

Hiermee kan de gebruiker het apparaat uitschakelen zonder het uit het systeem te verwijderen.

Er zijn twee opties beschikbaar:

  • Nee — het apparaat werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — de beheerder van de space heeft het apparaat volledig uitgeschakeld. Het voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.

Meer informatie

Een gebruiker kan ook het deactiveren van het apparaat configureren:

  • Op aantal alarmen — het systeem ontkoppelt het apparaat wanneer het ingestelde aantal alarmen wordt overschreden.
  • Op timer — het apparaat wordt automatisch ontkoppeld wanneer de hersteltimer verloopt.

De functie wordt geconfigureerd in de Ajax PRO-app.

Meer informatie

Eenmalige deactivering

Hiermee kan een gebruiker het apparaat uitschakelen totdat het systeem wordt uitgeschakeld.

Er zijn twee opties beschikbaar:

  • Nee — het apparaat werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — het apparaat is volledig uitgeschakeld totdat het systeem wordt uitgeschakeld. Het apparaat voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.

Meer informatie

Apparaat verwijderen

Hiermee kan de gebruiker het bekabelde apparaat verwijderen van de module.

EOL

Instelling

Betekenis

Naam

Naam van het bekabelde apparaat. Wordt getoond in de lijst van alle hub-apparaten, sms-berichten en notificaties in het logboek.

Als u de naam wilt aanpassen, klikt u op het tekstveld.

De naam kan uit maximaal 24 Latijnse tekens of 12 Cyrillische tekens bestaan.

Ruimte

Selecteer de virtuele ruimte waaraan het apparaat is toegewezen.

De naam van de ruimte wordt weergegeven in sms-berichten en meldingen in het logboek.

Invoertype

Selecteer het verbindingstype voor een apparaat van derden:

  • Zonder EOL
  • EOL
  • 2EOL
  • 3EOL
  • Rolluik

Aansluitschema

Toont het bekabelingsschema voor het aansluiten van een bekabeld apparaat op de integratiemodule.

Een installateur kan deze raadplegen.

Weerstand van de sensoren meten

Geeft een gebruiker de mogelijkheid een assistent te openen die automatisch de weerstand meet van de op het apparaat aangesloten weerstand.

Sensormodus

Selecteer de sensormodus voor het aangesloten apparaat:

  • Detecteer alarmen
  • Wijzig ingeschakelde modi
  • Beheer van blokkeerelement
  • Beheer van grendelslot

Type gebeurtenis

Selecteer een gebeurtenistype voor het aangesloten apparaat. Raadpleeg het gedeelte Soorten bekabelde apparaten voor meer informatie.

De tekst van de meldingen in het logboek, sms-berichten, en de code die naar de meldkamer wordt gestuurd, hangt af van het gekozen type gebeurtenis.

Deze instelling is beschikbaar als de optie Detecteer alarmen is geselecteerd voor de instelling Sensormodus.

Instellingen inschakelschakelaar

Configuratie van de beveiligingsmodus als de optie Wijzig beveiligingsmodus is geselecteerd als Sensormodus:

  • selecteer een vooraf ingestelde actie voor het inschakelen van het systeem;
  • selecteer de Beveiligingsobjecten die moeten worden beheerd door KeyArm;
  • voor het aanpassen van Onmiddellijk inschakelen ondanks gedetecteerde systeemstoringen.

Meer informatie

Standaardstatus

Selecteer de normale contactstatus van het aangesloten apparaat:

  • Normaal gesloten
  • Normaal open

Bedrijfsmodus

Bedrijfsmodus van het aangesloten apparaat:

  • Bistabiel — bijvoorbeeld voor een openingsdetector. Na een alarm wordt er een herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.
  • Puls — bijvoorbeeld voor een bewegingsdetector. Nadat een alarm is geactiveerd, wordt er geen herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.

Zorg ervoor dat u een type instelt dat overeenkomt met het aangesloten apparaat.

Een gepulseerde detector in Bistabiele modus genereert onnodige herstelgebeurtenissen.

Een bistabiele detector in de Pulsmodus verstuurt daarentegen geen herstelgebeurtenissen.

R1 weerstand

De weerstand van de afsluitweerstand die aangesloten is op het apparaat. Automatisch gemeten.

De waarde kan ook handmatig worden ingesteld van 1 tot 15 kΩ in stappen van 100 Ω.

Altijd actief

Indien ingeschakeld, is het apparaat dat is verbonden met de integratiemodule constant ingeschakeld en meldt het alarmen.

Een gebruiker kan de optie alleen voor bepaalde gebeurtenistypen configureren.

Deze instelling is niet beschikbaar als de optie Wijzig beveiligingsmodus is geselecteerd als Sensormodus.

Meer informatie

Meld wijzigingen van de status van het grendelslot

Indien deze optie is ingeschakeld, ontvangt de gebruiker een melding telkens wanneer de status van het grendelslot verandert.

Deze optie is beschikbaar als de Beheer van grendelslot optie is geselecteerd als Sensormodus.

Pulstijd

Pulsduur van het apparaat voor het activeren van het alarm:

  • 20 ms
  • 100 ms (standaard)
  • 1 s

Er gaat een alarm af als de puls van het apparaat langer duurt dan de geconfigureerde pulstijd. Dit kan worden gebruikt om valse alarmen te filteren.

Interval voor het verzenden van gebeurtenissen

Voor het configureren van de minimale interval voor het verzenden van gebeurtenissen van een apparaat van derden naar de hub.

Het interval kan worden ingesteld van 5 seconden tot 10 minuten.2

Standaardwaarde: Standaardinstellingen apparaat (het interval bepaald door de reactietijd van het apparaat van derden).

2 Om te voldoen aan EN 50131 mag de waarde niet meer zijn dan 10 seconden.

Alarm met sirene als het apparaat geactiveerd is

Wanneer deze optie is ingeschakeld, activeren de sirenes die aan het systeem zijn toegevoegd als er een alarm wordt geactiveerd.

Deze instelling is beschikbaar als de optie Detecteer alarmen is geselecteerd voor de instelling Sensormodus.

Alarm met een sirene als het apparaat verloren of kortgesloten is

Indien ingeschakeld, activeren de sirenes die aan het systeem zijn toegevoegd als kabelbreuk of kortsluiting wordt gedetecteerd.

Belinstellingen

De Bel configureren. Deze functie is alleen beschikbaar voor apparaten die in de modus Bistabiel werken.

Deze functie is niet beschikbaar voor sensoren in de modus Puls of Altijd actief.

Meer informatie

Reactie op alarmen

Bedrijfsmodus

Selecteer hoe het apparaat reageert op alarmen:

  • Direct alarm — het apparaat in de ingeschakelde modus reageert onmiddellijk op een dreiging en slaat alarm.
  • Ingang/uitgang — wanneer een vertraging is ingesteld, start het ingeschakelde apparaat het aftellen en wordt er geen alarm geactiveerd, zelfs niet als het wordt geactiveerd voordat het aftellen is afgelopen.
  • Follower — het apparaat neemt de vertragingen van in-/uitloopapparaten over. Wanneer het Follower-apparaat afzonderlijk wordt geactiveerd, wordt er onmiddellijk een alarm afgegeven.

Deze instelling is beschikbaar als de optie Detecteer alarmen is geselecteerd voor de instelling Sensormodus.

Vertraging bij binnenkomst

Inloopvertraging: 5 tot 255 seconden.

Inloopvertraging (vertraging van alarmactivatie) is de tijd die een gebruiker heeft om het systeem uit te schakelen nadat men de ruimte is binnengegaan.

Meer informatie

Vertraging bij vertrek

Uitloopvertraging: 5 tot 255 seconden.

Uitloopvertraging (vertraging van inschakeling) is de tijd die een gebruiker heeft om het gebouw te verlaten nadat het systeem is ingeschakeld.

Meer informatie

Inschakelen bij deelinschakeling

Wanneer deze optie is ingeschakeld, wordt de detector ingeschakeld als het systeem in de Deelinschakeling staat.

Meer informatie

Inloopvertragingen in deelinschakeling

Inloopvertraging in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Inloopvertraging (vertraging van alarmactivatie) in Deelinschakeling is de tijd die een gebruiker heeft om de Deelinschakeling uit te schakelen nadat men de ruimte is binnengegaan.

Meer informatie

Uitloopvertragingen in deelinschakeling

Uitloopvertraging in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Uitloopvertraging (vertraging van inschakeling) in de Deelinschakeling is de tijd die een gebruiker heeft om het pand te verlaten nadat de Deelinschakeling is ingeschakeld.

Meer informatie

Deelinschakeling vertraging

Vertragingstijd in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Dit is de tijd die de gebruiker heeft om Deelinschakeling (vertraging van alarmactivatie) uit te schakelen nadat het In-/uitloopapparaat is geactiveerd.

De instelling wordt weergegeven als het apparaat is ingesteld op de bedrijfsmodus Follower en de optie Inschakelen bij deelinschakeling is ingeschakeld.

Meer informatie

Bewaking

Opent het menu met instellingen voor Bewaking:

  • Stuur gebeurtenissen naar de meldkamer — met deze optie kunnen PRO-gebruikers het sturen van gebeurtenissen naar de bewakingssoftware voor het apparaat in- of uitschakelen. Deze optie is standaard ingeschakeld.

De instellingen voor Bewaking zijn alleen beschikbaar in de Ajax PRO-apps.

Meer informatie

Permanente deactivering

Hiermee kan de gebruiker het apparaat uitschakelen zonder het uit het systeem te verwijderen.

Er zijn twee opties beschikbaar:

  • Nee — het apparaat werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — de beheerder van de space heeft het apparaat volledig uitgeschakeld. Het voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.

Meer informatie

Een gebruiker kan ook het deactiveren van het apparaat configureren:

  • Op aantal alarmen — het systeem ontkoppelt het apparaat wanneer het ingestelde aantal alarmen wordt overschreden.
  • Op timer — het apparaat wordt automatisch ontkoppeld wanneer de hersteltimer verloopt.

De functie wordt geconfigureerd in de Ajax PRO-app.

Meer informatie

Eenmalige deactivering

Hiermee kan een gebruiker het apparaat uitschakelen totdat het systeem wordt uitgeschakeld.

Er zijn twee opties beschikbaar:

  • Nee — het apparaat werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — het apparaat is volledig uitgeschakeld totdat het systeem wordt uitgeschakeld. Het apparaat voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.

Meer informatie

Apparaat verwijderen

Hiermee kan de gebruiker het bekabelde apparaat verwijderen van de module.

2EOL

Instelling

Betekenis

Naam

Naam van het bekabelde apparaat. Wordt getoond in de lijst van alle hub-apparaten, sms-berichten en notificaties in het logboek.

Als u de naam wilt aanpassen, klikt u op het tekstveld.

De naam kan uit maximaal 24 Latijnse tekens of 12 Cyrillische tekens bestaan.

Ruimte

Selecteer de virtuele ruimte waaraan het apparaat is toegewezen.

De naam van de ruimte wordt weergegeven in sms-berichten en meldingen in het logboek.

Invoertype

Selecteer het verbindingstype voor een apparaat van derden:

  • Zonder EOL
  • EOL
  • 2EOL
  • 3EOL
  • Rolluik

Aansluitschema

Toont het bekabelingsschema voor het aansluiten van een bekabeld apparaat op de integratiemodule.

Een installateur kan deze raadplegen.

Weerstand van de sensoren meten

Geeft een gebruiker de mogelijkheid een assistent te openen die automatisch de weerstand meet van de op het apparaat aangesloten weerstand.

Sensor 1

Standaard is de contactstatus voor Sensor 1 normaal gesloten.

Type gebeurtenis

Selecteer een gebeurtenistype voor het aangesloten apparaat. Raadpleeg het gedeelte Soorten bekabelde apparaten voor meer informatie.

De tekst van de meldingen in het logboek, sms-berichten, en de code die naar de meldkamer wordt gestuurd, hangt af van het gekozen type gebeurtenis.

Bedrijfsmodus

Bedrijfsmodus van het aangesloten apparaat:

  • Bistabiel — bijvoorbeeld voor een openingsdetector. Na een alarm wordt er een herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.
  • Puls — bijvoorbeeld voor een bewegingsdetector. Nadat een alarm is geactiveerd, wordt er geen herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.

Zorg ervoor dat u een type instelt dat overeenkomt met het aangesloten apparaat.

Een gepulseerde detector in Bistabiele modus genereert onnodige herstelgebeurtenissen.

Een bistabiele detector in de Pulsmodus verstuurt daarentegen geen herstelgebeurtenissen.

R1 weerstand

De weerstand van de weerstand die is aangesloten op Sensor 1. Automatisch gemeten.

De waarde kan ook handmatig worden ingesteld van 1 tot 15 kΩ in stappen van 100 Ω.

Altijd actief

Indien ingeschakeld, is het apparaat dat is verbonden met de integratiemodule constant ingeschakeld en meldt het alarmen.

Een gebruiker kan de optie alleen voor bepaalde gebeurtenistypen configureren.

Meer informatie

Sensor 2

Sensormodus

Selecteer de sensormodus voor het aangesloten apparaat:

  • Detecteer alarmen
  • Wijzig ingeschakelde modi
  • Beheer van blokkeerelement
  • Beheer van grendelslot

Deze instelling is alleen beschikbaar voor Sensor 2 wanneer het invoertype 2EOL wordt gebruikt.

Type gebeurtenis

Selecteer een gebeurtenistype voor het aangesloten apparaat. Raadpleeg het gedeelte Soorten bekabelde apparaten voor meer informatie.

De tekst van de meldingen in het logboek, sms-berichten, en de code die naar de meldkamer wordt gestuurd, hangt af van het gekozen type gebeurtenis.

Deze instelling is beschikbaar als de optie Detecteer alarmen is geselecteerd voor de instelling Sensormodus.

Instellingen inschakelschakelaar

Configuratie van de beveiligingsmodus als de optie Wijzig beveiligingsmodus is geselecteerd als Sensormodus:

  • selecteer een vooraf ingestelde actie voor het inschakelen van het systeem;
  • selecteer de Beveiligingsobjecten die moeten worden beheerd door KeyArm;
  • voor het aanpassen van Onmiddellijk inschakelen ondanks gedetecteerde systeemstoringen;
  • configureer de instelling Vergrendel inschakelschakelaar als deksel open is (sabotagealarm moet worden geconfigureerd voor sensor 1);
  • configureer de functie Waarschuw bij pogingen om de inschakelschakelaar te gebruiken wanneer deze is vergrendeld (beschikbaar wanneer de functie Vergrendel inschakelschakelaar als deksel open is is ingeschakeld).

Schakel de functie Waarschuw bij pogingen om de inschakelschakelaar te gebruiken wanneer deze is vergrendeld in om meldingen te ontvangen bij elke poging om de beveiligingsmodus te wisselen met een vergrendelde schakelaar. Indien vergrendeld, kan het niet van modus veranderen.

Meer informatie

Standaardstatus

Hiermee kan een gebruiker de normale contactstatus voor het aangesloten apparaat selecteren:

  • Normaal gesloten
  • Normaal open

Bedrijfsmodus

Selecteer de bedrijfsmodus voor het aangesloten apparaat:

  • Bistabiel — bijvoorbeeld voor een openingsdetector. Na een alarm wordt er een herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.
  • Puls — bijvoorbeeld voor een bewegingsdetector. Nadat een alarm is geactiveerd, wordt er geen herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.

Zorg ervoor dat u een type instelt dat overeenkomt met het aangesloten apparaat.

Een gepulseerde detector in Bistabiele modus genereert onnodige herstelgebeurtenissen.

Een bistabiele detector in de Pulsmodus verstuurt daarentegen geen herstelgebeurtenissen.

R2 weerstand

De weerstand van de afsluitweerstand die is aangesloten op Sensor 2. Automatisch gemeten.

De waarde kan ook handmatig worden ingesteld van 1 tot 15 kΩ in stappen van 100 Ω.

Altijd actief

Indien ingeschakeld, is het apparaat dat is verbonden met de integratiemodule constant ingeschakeld en meldt het alarmen.

Een gebruiker kan de optie alleen voor bepaalde gebeurtenistypen configureren.

Deze instelling is niet beschikbaar als de optie Wijzig beveiligingsmodus is geselecteerd als Sensormodus.

Meer informatie

Pulstijd

Pulsduur van het apparaat voor het activeren van het alarm:

  • 20 ms
  • 100 ms (standaard)
  • 1 s

Er gaat een alarm af als de puls van het apparaat langer duurt dan de geconfigureerde pulstijd. Dit kan worden gebruikt om valse alarmen te filteren.

Interval voor het verzenden van gebeurtenissen

Voor het configureren van de minimale interval voor het verzenden van gebeurtenissen van een apparaat van derden naar de hub.

Het interval kan worden ingesteld van 5 seconden tot 10 minuten.2

Standaardwaarde: Standaardinstellingen apparaat (het interval bepaald door de reactietijd van een apparaat van derden).

2 Om te voldoen aan EN 50131 mag de waarde niet meer zijn dan 10 seconden.

Meld wijzigingen van de status van het grendelslot

Indien deze optie is ingeschakeld, ontvangt de gebruiker een melding telkens wanneer de status van het grendelslot verandert.

Deze optie is beschikbaar als de Beheer van grendelslot optie is geselecteerd als Sensormodus.

Alarm met sirene als Sensor 1 geactiveerd is

Wanneer de optie is ingeschakeld, activeren de sirenes die aan het systeem zijn toegevoegd als sensor 1 een alarm activeert.

Alarm met sirene als Sensor 2 geactiveerd is

Wanneer de optie is ingeschakeld, activeren de sirenes die aan het systeem zijn toegevoegd als sensor 2 een alarm activeert.

Deze instelling is beschikbaar als de optie Detecteer alarmen is geselecteerd voor de instelling Sensormodus.

Alarm met een sirene als het apparaat is kortgesloten

Indien de optie is ingeschakeld, activeren de sirenes die aan het systeem zijn toegevoegd als er kortsluiting wordt gedetecteerd.

Belinstellingen

De Bel configureren. Deze functie is alleen beschikbaar voor apparaten die in de modus Bistabiel werken.

Deze functie is niet beschikbaar voor sensoren in de modus Puls of Altijd actief.

Meer informatie

Reactie op alarmen

Bedrijfsmodus

Selecteer hoe het apparaat reageert op alarmen:

  • Direct alarm — het apparaat in de ingeschakelde modus reageert onmiddellijk op een dreiging en slaat alarm.
  • Ingang/uitgang — wanneer een vertraging is ingesteld, start het ingeschakelde apparaat het aftellen en wordt er geen alarm geactiveerd, zelfs niet als het wordt geactiveerd voordat het aftellen is afgelopen.
  • Follower — het apparaat neemt de vertragingen van in-/uitloopapparaten over. Wanneer het Follower-apparaat afzonderlijk wordt geactiveerd, wordt er onmiddellijk een alarm afgegeven.

Deze instelling is beschikbaar als de optie Detecteer alarmen is geselecteerd voor de instelling Sensormodus voor Sensor 2.

Vertraging bij binnenkomst

Inloopvertraging: 5 tot 255 seconden.

Inloopvertraging (vertraging van alarmactivatie) is de tijd die een gebruiker heeft om het systeem uit te schakelen nadat men de ruimte is binnengegaan.

Meer informatie

Vertraging bij vertrek

Uitloopvertraging: 5 tot 255 seconden.

Uitloopvertraging (vertraging van inschakeling) is de tijd die een gebruiker heeft om het gebouw te verlaten nadat het systeem is ingeschakeld.

Meer informatie

Inschakelen bij deelinschakeling

Wanneer deze optie is ingeschakeld, wordt de detector ingeschakeld als het systeem in de Deelinschakeling staat.

Meer informatie

Inloopvertragingen in deelinschakeling

Inloopvertraging in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Inloopvertraging (vertraging van alarmactivatie) in Deelinschakeling is de tijd die een gebruiker heeft om Deelinschakeling uit te schakelen nadat men de ruimte is binnengegaan.

Meer informatie

Uitloopvertragingen in deelinschakeling

Uitloopvertraging in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Uitloopvertraging (vertraging van inschakeling) in de Deelinschakeling is de tijd die een gebruiker heeft om het gebouw te verlaten nadat de Deelinschakeling is ingeschakeld.

Meer informatie

Deelinschakeling vertraging

Vertragingstijd in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Dit is de tijd die de gebruiker heeft om Deelinschakeling (vertraging van alarmactivatie) uit te schakelen nadat het In-/uitloopapparaat is geactiveerd.

De instelling wordt weergegeven als het apparaat is ingesteld op de bedrijfsmodus Follower en de optie Inschakelen bij deelinschakeling is ingeschakeld.Meer informatie

Bewaking

Opent het menu met instellingen voor Bewaking:

  • Stuur gebeurtenissen naar de meldkamer — met deze optie kunnen PRO-gebruikers het sturen van gebeurtenissen naar de bewakingssoftware voor het apparaat in- of uitschakelen. Deze optie is standaard ingeschakeld.

De instellingen voor Bewaking zijn alleen beschikbaar in de Ajax PRO-apps.

Meer informatie

Permanente deactivering

Hiermee kan de gebruiker het apparaat uitschakelen zonder het uit het systeem te verwijderen.

Er zijn twee opties beschikbaar:

  • Nee — het apparaat werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — de beheerder van de space heeft het apparaat volledig uitgeschakeld. Het voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.

Meer informatie

Een gebruiker kan ook het deactiveren van het apparaat configureren:

  • Op aantal alarmen — het systeem ontkoppelt het apparaat wanneer het ingestelde aantal alarmen wordt overschreden.
  • Op timer — het apparaat wordt automatisch ontkoppeld wanneer de hersteltimer verloopt.

De functie wordt geconfigureerd in de Ajax PRO-app.

Meer informatie

Eenmalige deactivering

Hiermee kan een gebruiker het apparaat uitschakelen totdat het systeem wordt uitgeschakeld.

Er zijn twee opties beschikbaar:

  • Nee — het apparaat werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — het apparaat is volledig uitgeschakeld totdat het systeem wordt uitgeschakeld. Het apparaat voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.

Meer informatie

Apparaat verwijderen

Hiermee kan de gebruiker het bekabelde apparaat verwijderen van de module.

3EOL

Instelling

Betekenis

Naam

Naam van het bekabelde apparaat. Wordt getoond in de lijst van alle hub-apparaten, sms-berichten en notificaties in het logboek.

Als u de naam wilt aanpassen, klikt u op het tekstveld.

De naam kan uit maximaal 24 Latijnse tekens of 12 Cyrillische tekens bestaan.

Ruimte

Selecteer de virtuele ruimte waaraan het apparaat is toegewezen.

De naam van de ruimte wordt weergegeven in sms-berichten en meldingen in het logboek.

Invoertype

Selecteer het verbindingstype voor een apparaat van derden:

  • Zonder EOL
  • EOL
  • 2EOL
  • 3EOL
  • Rolluik

Aansluitschema

Toont het bekabelingsschema voor het aansluiten van een bekabeld apparaat op de integratiemodule.

Een installateur kan deze raadplegen.

Weerstand van de sensoren meten

Geeft een gebruiker de mogelijkheid een assistent te openen die automatisch de weerstand meet van de op het apparaat aangesloten weerstand.

Sensor 1

Standaard is de contactstatus voor Sensor 1 normaal gesloten.

Type gebeurtenis

Selecteer een gebeurtenistype voor het aangesloten apparaat. Raadpleeg het gedeelte Soorten bekabelde apparaten voor meer informatie.

De tekst van de meldingen in het logboek, sms-berichten, en de code die naar de meldkamer wordt gestuurd, hangt af van het gekozen type gebeurtenis.

Bedrijfsmodus

Bedrijfsmodus van het aangesloten apparaat:

  • Bistabiel — bijvoorbeeld voor een openingsdetector. Na een alarm wordt er een herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.
  • Puls — bijvoorbeeld voor een bewegingsdetector. Nadat een alarm is geactiveerd, wordt er geen herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.

Zorg ervoor dat u een type instelt dat overeenkomt met het aangesloten apparaat.

Een gepulseerde detector in Bistabiele modus genereert onnodige herstelgebeurtenissen.

Een bistabiele detector in de Pulsmodus verstuurt daarentegen geen herstelgebeurtenissen.

R1 weerstand

De weerstand van de weerstand die is aangesloten op Sensor 1. Automatisch gemeten.

De waarde kan ook handmatig worden ingesteld van 1 tot 15 kΩ in stappen van 100 Ω.

Altijd actief

Indien ingeschakeld, is het apparaat dat is verbonden met de integratiemodule constant ingeschakeld en meldt het alarmen.

Een gebruiker kan de optie alleen voor bepaalde gebeurtenistypen configureren.

Meer informatie

Sensor 2

Sensormodus

Selecteer de sensormodus voor het aangesloten apparaat:

  • Detecteer alarmen
  • Wijzig ingeschakelde modi
  • Beheer van blokkeerelement
  • Beheer van grendelslot

Deze instelling is alleen beschikbaar voor Sensor 2 wanneer het invoertype 3EOL wordt gebruikt.

Type gebeurtenis

Selecteer een gebeurtenistype voor het aangesloten apparaat. Raadpleeg het gedeelte Soorten bekabelde apparaten voor meer informatie.

De tekst van de meldingen in het logboek, sms-berichten, en de code die naar de meldkamer wordt gestuurd, hangt af van het gekozen type gebeurtenis.

Deze instelling is beschikbaar als de optie Detecteer alarmen is geselecteerd voor de instelling Sensormodus.

Instellingen inschakelschakelaar

Configuratie van de beveiligingsmodus als de optie Wijzig beveiligingsmodus is geselecteerd als Sensormodus:

  • selecteer een vooraf ingestelde actie voor het inschakelen van het systeem;
  • selecteer de Beveiligingsobjecten die moeten worden beheerd door KeyArm;
  • voor het aanpassen van Onmiddellijk inschakelen ondanks gedetecteerde systeemstoringen;
  • configureer de instelling Vergrendel inschakelschakelaar als deksel open is (sabotagealarm moet worden geconfigureerd voor sensor 1);
  • configureer de functie Waarschuw bij pogingen om de inschakelschakelaar te gebruiken wanneer deze is vergrendeld (beschikbaar wanneer de functie Vergrendel inschakelschakelaar als deksel open is is ingeschakeld).

Schakel de functie Waarschuw bij pogingen om de inschakelschakelaar te gebruiken wanneer deze is vergrendeld in om meldingen te ontvangen bij elke poging om de beveiligingsmodus te wisselen met een vergrendelde schakelaar. Indien vergrendeld, kan het niet van modus veranderen.

Meer informatie

Standaardstatus

Hiermee kan een gebruiker de normale contactstatus voor het aangesloten apparaat selecteren:

  • Normaal gesloten
  • Normaal open

Bedrijfsmodus

Bedrijfsmodus van het aangesloten apparaat:

  • Bistabiel — bijvoorbeeld voor een openingsdetector. Na een alarm wordt er een herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.
  • Puls — bijvoorbeeld voor een bewegingsdetector. Nadat een alarm is geactiveerd, wordt er geen herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.

Zorg ervoor dat u een type instelt dat overeenkomt met het aangesloten apparaat.

Een gepulseerde detector in Bistabiele modus genereert onnodige herstelgebeurtenissen.

Een bistabiele detector in de Pulsmodus verstuurt daarentegen geen herstelgebeurtenissen.

R2 weerstand

De weerstand van de afsluitweerstand die is aangesloten op Sensor 2. Automatisch gemeten.

De waarde kan ook handmatig worden ingesteld van 1 tot 15 kΩ in stappen van 100 Ω.

Altijd actief

Indien ingeschakeld, is het apparaat dat is verbonden met de integratiemodule constant ingeschakeld en meldt het alarmen.

Een gebruiker kan de optie alleen voor bepaalde gebeurtenistypen configureren.

Deze instelling is niet beschikbaar als de optie Wijzig beveiligingsmodus is geselecteerd als Sensormodus.

Meer informatie

Meld wijzigingen van de status van het grendelslot

Indien deze optie is ingeschakeld, ontvangt de gebruiker een melding telkens wanneer de status van het grendelslot verandert.

Deze optie is beschikbaar als de Beheer van grendelslot optie is geselecteerd als Sensormodus.

Sensor 3

Type gebeurtenis

Selecteer een gebeurtenistype voor het aangesloten apparaat. Raadpleeg het gedeelte Soorten bekabelde apparaten voor meer informatie.

De tekst van de meldingen in het logboek, sms-berichten, en de code die naar de meldkamer wordt gestuurd, hangt af van het gekozen type gebeurtenis.

Standaardstatus

Selecteer de normale contactstatus van het aangesloten apparaat:

  • Normaal gesloten
  • Normaal open

Bedrijfsmodus

Selecteer de bedrijfsmodus voor het aangesloten apparaat:

  • Bistabiel — bijvoorbeeld voor een openingsdetector. Na een alarm wordt er een herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.
  • Puls — bijvoorbeeld voor een bewegingsdetector. Nadat een alarm is geactiveerd, wordt er geen herstelgebeurtenis gestuurd als de detector terugkeert naar de normale status.

Zorg ervoor dat u een type instelt dat overeenkomt met het aangesloten apparaat.

Een gepulseerde detector in Bistabiele modus genereert onnodige herstelgebeurtenissen.

Een bistabiele detector in de Pulsmodus verstuurt daarentegen geen herstelgebeurtenissen.

R3 weerstand

De weerstand van de afsluitweerstand die is aangesloten op Sensor 3. Automatisch gemeten.

De waarde kan ook handmatig worden ingesteld van 1 tot 15 kΩ in stappen van 100 Ω.

Altijd actief

Indien ingeschakeld, is het apparaat dat is verbonden met de integratiemodule constant ingeschakeld en meldt het alarmen.

Een gebruiker kan de optie alleen voor bepaalde gebeurtenistypen configureren.

Meer informatie

Pulstijd

Pulsduur van het apparaat voor het activeren van het alarm:

  • 20 ms
  • 100 ms (standaard)
  • 1 s

Er gaat een alarm af als de puls van het apparaat langer duurt dan de geconfigureerde pulstijd. Dit kan worden gebruikt om valse alarmen te filteren.

Interval voor het verzenden van gebeurtenissen

Voor het configureren van de minimale interval voor het verzenden van gebeurtenissen van een apparaat van derden naar de hub.

Het interval kan worden ingesteld van 5 seconden tot 10 minuten.2

Standaardwaarde: Standaardinstellingen apparaat (het interval bepaald door de reactietijd van een apparaat van derden).

2 Om te voldoen aan EN 50131 mag de waarde niet meer zijn dan 10 seconden.

Alarm met sirene als Sensor 1 geactiveerd is

Wanneer de optie is ingeschakeld, activeren de sirenes die aan het systeem zijn toegevoegd als sensor 1 een alarm activeert.

Alarm met sirene als Sensor 2 geactiveerd is

Wanneer de optie is ingeschakeld, activeren de sirenes die aan het systeem zijn toegevoegd als sensor 2 een alarm activeert.

Deze instelling is beschikbaar als de optie Detecteer alarmen is geselecteerd voor de instelling Sensormodus.

Alarm met sirene als Sensor 3 geactiveerd is

Wanneer de optie is ingeschakeld, activeren de sirenes die aan het systeem zijn toegevoegd als sensor 3 een alarm activeert.

Alarm met een sirene als het apparaat is kortgesloten

Indien de optie is ingeschakeld, activeren de sirenes die aan het systeem zijn toegevoegd als er kortsluiting wordt gedetecteerd.

Belinstellingen

De Bel configureren. Deze functie is alleen beschikbaar voor apparaten die in de modus Bistabiel werken.

Deze functie is niet beschikbaar voor sensoren in de modus Puls of Altijd actief.

Meer informatie

Reactie op alarmen

Bedrijfsmodus

Selecteer hoe het apparaat reageert op alarmen:

  • Direct alarm — het apparaat in de ingeschakelde modus reageert onmiddellijk op een dreiging en slaat alarm.
  • Ingang/uitgang — wanneer een vertraging is ingesteld, start het ingeschakelde apparaat het aftellen en wordt er geen alarm geactiveerd, zelfs niet als het wordt geactiveerd voordat het aftellen is afgelopen.
  • Follower — het apparaat neemt de vertragingen van in-/uitloopapparaten over. Echter, wanneer het Follower-apparaat individueel wordt geactiveerd, wordt er direct een alarm geactiveerd.

Deze instelling is beschikbaar als de optie Detecteer alarmen is geselecteerd voor de instelling Sensormodus voor Sensor 2.

Vertraging bij binnenkomst

Inloopvertraging: 5 tot 255 seconden.

Inloopvertraging (vertraging van alarmactivatie) is de tijd die een gebruiker heeft om het systeem uit te schakelen nadat men de ruimte is binnengegaan.

Meer informatie

Vertraging bij vertrek

Uitloopvertraging: 5 tot 255 seconden.

Uitloopvertraging (vertraging van inschakeling) is de tijd die een gebruiker heeft om het gebouw te verlaten nadat het systeem is ingeschakeld.

Meer informatie

Inschakelen bij deelinschakeling

Indien deze optie is ingeschakeld, wordt de detector ingeschakeld wanneer het systeem ingesteld is op de Deelinschakeling.

Meer informatie

Inloopvertragingen in deelinschakeling

Inloopvertraging in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Inloopvertraging (vertraging van alarmactivatie) in de Deelinschakeling is de tijd die een gebruiker heeft om de Deelinschakeling uit te schakelen nadat men de ruimte is binnengegaan.

Meer informatie

Uitloopvertragingen in deelinschakeling

Uitloopvertraging in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Uitloopvertraging (vertraging van inschakeling) in de Deelinschakeling is de tijd die een gebruiker heeft om het gebouw te verlaten nadat de Deelinschakeling is ingeschakeld.

Meer informatie

Deelinschakeling vertraging

Vertragingstijd in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Dit is de tijd die de gebruiker heeft om Deelinschakeling (vertraging van alarmactivatie) uit te schakelen nadat het In-/uitloopapparaat is geactiveerd.

De instelling wordt weergegeven als het apparaat is ingesteld op de bedrijfsmodus Follower en de optie Inschakelen bij deelinschakeling is ingeschakeld.

Meer informatie

Bewaking

Opent het menu met instellingen voor Bewaking:

  • Stuur gebeurtenissen naar de meldkamer — met deze optie kunnen PRO-gebruikers het sturen van gebeurtenissen naar de bewakingssoftware voor het apparaat in- of uitschakelen. Deze optie is standaard ingeschakeld.

De instellingen voor Bewaking zijn alleen beschikbaar in de Ajax PRO-apps.

Meer informatie

Permanente deactivering

Hiermee kan de gebruiker het apparaat uitschakelen zonder het uit het systeem te verwijderen.

Er zijn twee opties beschikbaar:

  • Nee — het apparaat werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — de beheerder van de space heeft het apparaat volledig uitgeschakeld. Het voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.

Meer informatie

Een gebruiker kan ook het deactiveren van het apparaat configureren:

  • Op aantal alarmen — het systeem ontkoppelt het apparaat wanneer het ingestelde aantal alarmen wordt overschreden.
  • Op timer — het apparaat wordt automatisch ontkoppeld wanneer de hersteltimer verloopt.

De functie wordt geconfigureerd in de Ajax PRO-app.

Meer informatie

Eenmalige deactivering

Hiermee kan een gebruiker het apparaat uitschakelen totdat het systeem wordt uitgeschakeld.

Er zijn twee opties beschikbaar:

  • Nee — het apparaat werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — het apparaat is volledig uitgeschakeld totdat het systeem wordt uitgeschakeld. Het apparaat voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.

Meer informatie

Apparaat verwijderen

Hiermee kan de gebruiker het bekabelde apparaat verwijderen van de module.

Rolluik

Instelling

Betekenis

Naam

Naam van het bekabelde apparaat. Wordt getoond in de lijst van alle hub-apparaten, sms-berichten en notificaties in het logboek.

Als u de naam wilt aanpassen, klikt u op het tekstveld.

De naam kan uit maximaal 24 Latijnse tekens of 12 Cyrillische tekens bestaan.

Ruimte

Selecteer de virtuele ruimte waaraan het apparaat is toegewezen.

De naam van de ruimte wordt weergegeven in sms-berichten en meldingen in het logboek.

Invoertype

Selecteer het verbindingstype voor een apparaat van derden:

  • Zonder EOL
  • EOL
  • 2EOL
  • 3EOL
  • Rolluik

Altijd actief

Indien ingeschakeld, is het apparaat dat is verbonden met de integratiemodule constant ingeschakeld en meldt het alarmen.

Een gebruiker kan de optie alleen voor bepaalde gebeurtenistypen configureren.

Meer informatie

Tijd vóór alarm

De tijd waarbinnen het opgegeven aantal impulsen wordt geteld: 5 tot 30 seconden.

Het aftellen begint wanneer de eerste impuls wordt ontvangen van de rolluikdetector die is verbonden met de integratiemodule.

Impulsen vóór alarm

Het aantal impulsen van de rolluikdetector die verbonden is met de integratiemodule dat nodig is om een alarm te activeren: 2 tot 7.

Alarm met sirene als het rolluik geactiveerd wordt

Indien de optie is ingeschakeld, activeren de sirenes die aan het systeem zijn toegevoegd als een rolluik wordt geactiveerd.

Alarm met sirene als het rolluik losgekoppeld wordt

Indien ingeschakeld, activeren de sirenes die aan het systeem zijn toegevoegd als kabelbreuk of kortsluiting wordt gedetecteerd.

Reactie op alarmen

Bedrijfsmodus

Selecteer hoe het apparaat reageert op alarmen:

  • Direct alarm — het apparaat in de ingeschakelde modus reageert onmiddellijk op een dreiging en slaat alarm.
  • Ingang/uitgang — wanneer een vertraging is ingesteld, start het ingeschakelde apparaat het aftellen en wordt er geen alarm geactiveerd, zelfs niet als het wordt geactiveerd voordat het aftellen is afgelopen.
  • Follower — het apparaat neemt de vertragingen van in-/uitloopapparaten over. Wanneer het Follower-apparaat afzonderlijk wordt geactiveerd, wordt er onmiddellijk een alarm afgegeven.

Vertraging bij binnenkomst

Inloopvertraging: 5 tot 255 seconden.

Inloopvertraging (vertraging van alarmactivatie) is de tijd die een gebruiker heeft om het systeem uit te schakelen nadat men de ruimte is binnengegaan.

Meer informatie

Vertraging bij vertrek

Uitloopvertraging: 5 tot 255 seconden.

Uitloopvertraging (vertraging van inschakeling) is de tijd die een gebruiker heeft om het gebouw te verlaten nadat het systeem is ingeschakeld.

Meer informatie

Inschakelen bij deelinschakeling

Wanneer deze optie is ingeschakeld, wordt de detector ingeschakeld als het systeem in de Deelinschakeling staat.

Meer informatie

Inloopvertragingen in deelinschakeling

Inloopvertraging in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Inloopvertraging (vertraging van alarmactivatie) in Deelinschakeling is de tijd die een gebruiker heeft om de Deelinschakeling uit te schakelen nadat men de ruimte is binnengegaan.

Meer informatie

Uitloopvertragingen in deelinschakeling

Uitloopvertraging in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Uitloopvertraging (vertraging van inschakeling) in Deelinschakeling is de tijd die een gebruiker heeft om het gebouw te verlaten nadat de Deelinschakeling is ingeschakeld.

Meer informatie

Deelinschakeling vertraging

Vertragingstijd in Deelinschakeling: 5 tot 255 seconden.

Dit is de tijd die de gebruiker heeft om Deelinschakeling (vertraging van alarmactivatie) uit te schakelen nadat het In-/uitloopapparaat is geactiveerd.

De instelling wordt weergegeven als het apparaat is ingesteld op de bedrijfsmodus Follower en de optie Inschakelen bij deelinschakeling is ingeschakeld.

Meer informatie

Bewaking

Opent het menu met instellingen voor Bewaking:

  • Stuur gebeurtenissen naar de meldkamer — met deze optie kunnen PRO-gebruikers het sturen van gebeurtenissen naar de bewakingssoftware voor het apparaat in- of uitschakelen. Deze optie is standaard ingeschakeld.

De instellingen voor Bewaking zijn alleen beschikbaar in de Ajax PRO-apps.

Meer informatie

Permanente deactivering

Hiermee kan de gebruiker het apparaat uitschakelen zonder het uit het systeem te verwijderen.

Er zijn twee opties beschikbaar:

  • Nee — het apparaat werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — de beheerder van de space heeft het apparaat volledig uitgeschakeld. Het voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.

Meer informatie

Een gebruiker kan ook het deactiveren van het apparaat configureren:

  • Op aantal alarmen — het systeem ontkoppelt het apparaat wanneer het ingestelde aantal alarmen wordt overschreden.
  • Op timer — het apparaat wordt automatisch ontkoppeld wanneer de hersteltimer verloopt.

De functie wordt geconfigureerd in de Ajax PRO-app.

Meer informatie

Eenmalige deactivering

Hiermee kan een gebruiker het apparaat uitschakelen totdat het systeem wordt uitgeschakeld.

Er zijn twee opties beschikbaar:

  • Nee — het apparaat werkt normaal en verzendt alle gebeurtenissen.
  • Volledig — het apparaat is volledig uitgeschakeld totdat het systeem wordt uitgeschakeld. Het apparaat voert geen systeemopdrachten uit en meldt geen alarmen of andere gebeurtenissen.

Meer informatie

Apparaat verwijderen

Hiermee kan de gebruiker het bekabelde apparaat verwijderen van de module.

Bel bij openen

Bel is een hoorbaar signaal dat gebruikers informeert als openingsdetectoren worden geactiveerd terwijl het systeem is uitgeschakeld. De functie wordt bijvoorbeeld gebruikt in winkels om het personeel te laten weten dat er iemand binnenkomt.

De functie wordt in twee fasen geconfigureerd: het instellen van de sirenes en het instellen van de openingsdetectoren.

Een bekabelde openingsdetector configureren die is aangesloten op de module

  1. Ga naar het tabblad Apparaten HubFilled-M.
  2. Zoek Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra in de lijst.
  3. Druk op Apparaten onder het pictogram van Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra.
  4. Selecteer het vereiste apparaat in de lijst.
  5. Ga naar de Instellingen Settings-M.
  6. Selecteer de optie Belinstellingen.
  7. Schakel de optie Als het apparaat wordt geactiveerd in.
  8. Configureer het geluid van de Bel: 1 tot 4 korte piepjes. Zodra het geluid is geselecteerd, speelt de Ajax-app het af.
  9. Druk op Terug om de instellingen toe te passen.

Zorg ervoor dat de Bel-functie is ingeschakeld voor de gewenste sirene in de Pieptooninstellingen.

Indicatie

De led-indicatie van Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra kan rood of groen oplichten, afhankelijk van de status van het apparaat.

Gebeurtenis

Indicatie

Opmerking

De module toevoegen

Wanneer de module automatisch wordt toegevoegd: de led knippert groen snel wanneer de module wordt geselecteerd in de lijst. Wanneer u op Apparaat toevoegen drukt, knippert de led één keer groen.

Wanneer de module handmatig wordt toegevoegd knippert de groene led één keer.

De module verwijderen

De led knippert 6 keer groen.

De voeding van de bussen wordt getest

De led brandt continu groen en rood totdat de test is voltooid.

Firmware wordt bijgewerkt

De led knippert groen op terwijl de firmware wordt bijgewerkt.

Activering van de sabotagebeveiliging (als deze is aangesloten)

De led knippert eenmaal groen.

De voedingskabel van de module, die bekabelde apparaten van stroom voorziet, is kortgesloten of overbelast

De led knippert 4 keer per seconde rood totdat de kortsluiting is verholpen.

Elke 3 seconden probeert de module de voeding naar de uitgangsbussen te herstellen. Als de fout aanhoudt, schakelt de module de voedingsuitgangen opnieuw uit. Dit proces wordt herhaald totdat de fout is verholpen.

Storingen

Wanneer Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra een storing detecteert, er is bijvoorbeeld geen verbinding via het Fibra-protocol, wordt in de Ajax-app linksboven bij het apparaatpictogram een storingsteller weergegeven.

Gebruikers kunnen storingen bekijken in de statussen van de module en de statussen van verbonden apparaten. Velden met storingen worden rood gemarkeerd.

Er wordt een storing van Ajax Superior MultiTransmitter (8 inputs) Fibra weergegeven als:

  • De behuizing van de integratiemodule is open of losgemaakt van het oppervlak (de sabotagebeveiliging is geactiveerd).
  • Er is geen verbinding met de hub via Fibra.
  • De voedingskabel van het bekabelde apparaat is kortgesloten.

Een storing van het aangesloten apparaat wordt weergegeven als:

  • De behuizing van het apparaat is open (de sabotagebeveiliging is geactiveerd).
  • Er geen verbinding is tussen de integratiemodule en het apparaat (contacten zijn beschadigd).
  • De weerstanden zijn onjuist aangesloten (weerstandsfout).
  • Het systeem heeft een kortsluiting gedetecteerd in de contacten van het apparaat.

Het systeem kan storingen melden aan het beveiligingsbedrijf, evenals aan gebruikers via pushmeldingen en sms-berichten.

Onderhoud

Controleer regelmatig de werking van de integratiemodule en de aangesloten bekabelde apparaten. We raden aan om een dergelijke controle elke drie maanden uit te voeren. Het wordt aanbevolen om te controleren of de kabels goed vastzitten in de aansluitklemmen van de integratiemodule.

Verwijder indien nodig stof, spinnenwebben en ander vuil van de behuizing. Gebruik een zachte, droge doek die geschikt is voor het onderhoud van de apparatuur. Gebruik geen middelen die alcohol, aceton, benzine of andere actieve oplosmiddelen bevatten om het apparaat te reinigen.

Technische specificaties

Garantie

De garantie op de producten van de Limited Liability Company, "Ajax Systems Manufacturing", is twee jaar geldig na aankoop.

Indien het apparaat niet goed functioneert, raden we u aan om eerst contact op te nemen met de ondersteuningsdienst. De meeste technische problemen kunnen op afstand worden opgelost.

Contact opnemen met de technische ondersteuning:

Gefabriceerd door "AS Manufacturing" LLC

Hulp nodig?

Ontdek het volledige potentieel van een Ajax-systeem via onze gedetailleerde handleidingen, artikelen, tools en veelgestelde vragen. Als u onmiddellijk hulp nodig heeft, dan staan onze AI-chatbot en ons technisch supportteam 24/7 voor u klaar.

Ajax Systems