Tips voor het installeren en configureren van bekabelde Fibra-apparaten

Bijgewerkt op

Tips voor het installeren en configureren van bekabelde Fibra-apparaten

Fibra is een communicatietechnologie die bekabelde Ajax-apparaten gebruiken om alarmen en gebeurtenissen te verzenden. Fibra-apparaten maken deel uit van de Ajax Superior-productlijn en zijn bedoeld voor hoogwaardige projecten. Alleen geaccrediteerde Ajax Systems-partners mogen de Ajax Superior-producten verkopen, installeren, en beheren. Om de accreditatie te verkrijgen, moet u een speciaal trainingsprogramma afronden aan de Ajax Academy.

We hebben dit artikel opgesteld om professionals te helpen die met bekabelde Ajax-apparaten werken of dit van plan zijn. Het bevat antwoorden op basisvragen over Fibra-apparaten, tips voor het installeren en configureren ervan, en links naar nuttige educatieve materialen.

Deze handleiding is nuttig voor ingenieurs, installateurs en technici. Het is een aanvulling op de gebruikershandleidingen voor elk apparaat. Daarom raden we aan om de gebruikershandleidingen voor Fibra-apparaten door te nemen voordat u het artikel leest.

Projectontwerp

Een goed ontwerp van een beveiligingssysteem zorgt ervoor dat systeemapparaten correct worden geïnstalleerd en geconfigureerd. Bij het project moet rekening worden gehouden met veel factoren. Bijvoorbeeld het aantal en de soorten apparaten in het systeem, hun exacte locatie en installatiehoogte, de lengte van de Fibra-kabels, het gebruikte kabeltype en andere factoren. Bovendien kan een nauwkeurig project helpen om systeemproblemen in de toekomst op te lossen. Als bijvoorbeeld een van de detectoren uitvalt, is het eenvoudiger om deze te vinden en te vervangen door een soortgelijke.

Voordat een project wordt ontworpen, is het noodzakelijk om de klant te raadplegen. Zoek uit wat hun behoeften en zorgen zijn, hoe ze de locatie gebruiken en wat ze verwachten van het beveiligingssysteem. Bijvoorbeeld, de klant heeft alleen inbraakbeveiliging nodig, terwijl anderen ook nood hebben aan preventie tegen lekkage.

Bovendien is het voor het ontwerpen van een beveiligingssysteem noodzakelijk om de locatie te bezoeken, deze te inspecteren en de unieke kenmerken te analyseren. De daadwerkelijke locatie kan afwijken van het plan. Dat is ook belangrijk om rekening mee te houden. Daarnaast zal het helpen om minder voor de hand liggende factoren te identificeren die van invloed kunnen zijn op de realisatie van het beveiligingssysteem. Denk bijvoorbeeld aan de manier waarop de zon valt op een ruimte of waar de airconditioning is geïnstalleerd.

Analyse van de locatie

Tijdens de analyse moet u rekening houden met alle manieren waarop inbrekers het beveiligde gebied kunnen betreden. Beveiligingsapparaten moeten alle deuren, ramen, poorten, hekdeuren en andere in- en uitgangen bewaken.

Het is ook noodzakelijk om rekening te houden met alle mogelijke bronnen van alarmen op de locaties en hun typen. Dit draagt bij aan de algemene beveiliging van de locatie. Installeer bijvoorbeeld Ajax-brandmelders en handbrandmelders voor vroegtijdige branddetectie, of integreer Button Jeweller en DoubleButton Jeweller in de kassa's van de winkel om een alarm te activeren, of gebruik LockBridge (D) Jeweller om compatibele Yale Doorman slimme sloten te integreren in een Ajax-systeem.

Bij de analyse en het projectontwerp wordt ook rekening gehouden met het interieur. Een kast mag bijvoorbeeld het zicht van de detector niet blokkeren; een lamp mag de fotocamera van de detector met fotoverificatie niet verlichten; en in een ruimte met een open haard of airconditioner is het beter om een bewegingsdetector met een extra microgolfsensor te installeren.

Overleg met de klant of er huisdieren op de locatie aanwezig zijn. Dit beïnvloedt de instellingen, locatie en installatiehoogte van de bewegingsdetector.

Controleer of er voorwerpen van bijzonder belang aanwezig zijn, zoals dure schilderijen, vazen, kluizen, enz. Afzonderlijke detectoren kunnen worden gebruikt om dergelijke voorwerpen te beveiligen. Installeer bijvoorbeeld Superior SeismoProtect G3 Fibra of Superior DoorProtect G3 Fibra in de kluis. De detector activeert een alarm als iemand probeert in te breken in de kluis.

Als u elektrische sloten, extra blokkeerelementen of andere apparaten van derden moet aansluiten die geautomatiseerde voeding vereisen, kunt u Superior MultiRelay Fibra of Superior MultiTransmitter IO (4X4) Fibra gebruiken.

Apparaten selecteren

Op basis van de analyseresultaten is het vereist om detectoren en apparaten te selecteren die effectief voldoen aan de vereisten van de klant en de locatie beveiligen.

Fibra-technologie onderscheidt zich door zijn uitzonderlijke veelzijdigheid en energie-efficiëntie. Verschillende soorten apparaten, zoals openingsdetectoren, bewegingsdetectoren met ondersteuning voor fotoverificatie, sirenes en bediendelen, kunnen op dezelfde Fibra-kabel worden aangesloten.

Bekabelde Fibra-apparaten zijn energiezuinig. De detectoren verbruiken 30 - 50 mW, wat aanzienlijk minder is dan het gemiddelde stroomverbruik van bekabelde detectoren van andere fabrikanten.

Om de juiste apparaten te kiezen, is het belangrijk om te begrijpen hoe het systeem werkt, wat de verschillen tussen detectoren zijn en welk apparaat het beste is voor welke situatie. Lees hiervoor de gebruikershandleiding voor elk apparaat dat u in het project wilt gebruiken.

Houd bij het selecteren van apparaten rekening met hun detectiezone. Dit is nodig om dode hoeken en valse alarmen te voorkomen. Als u bijvoorbeeld een grote magneet van de openingsdetector op de maximale afstand (2 cm) van het apparaat installeert, reageert de detector mogelijk niet op het openen van deuren of geeft het een vals alarm af.

Gebruik Superior LineProtect Fibra om de hub en apparaten op de kabel te beveiligen tegen kortsluiting en sabotage. Het apparaat kan op elk punt van de Fibra-kabel worden geïnstalleerd. De module beschermt apparaten op de bus tussen Superior LineProtect Fibra en de hub, maar ook de hub zelf. De module beschermt echter geen apparaten tussen Superior LineProtect Fibra en het laatste apparaat op de bus.

Apparaten selecteren

Als er op de locatie al een bekabeld systeem is geïnstalleerd, kunnen deze detectoren worden geïntegreerd in een Ajax-systeem. U kunt bekabelde apparaten van derden op een Ajax-systeem aansluiten met integratiemodules.

De systeemlogica en de hardware beperken het maximale aantal apparaten. De systeemlogica bevat beperkingen voor het aantal apparaten. U vindt deze beperkingen in de gebruikershandleiding van het bedieningspaneel, op onze ondersteuningspagina en op de pagina voor het vergelijken van hubs.

De hardware omvat beperkingen betreffende de voeding en de kabellengte. Als u bij uw klant kabels nodig heeft die langer zijn dan 2.000 m of als sommige apparaten geen stroom krijgen van de hub, gebruik dan Superior LineSupply Fibra. Deze module levert extra voeding voor aangesloten Fibra-apparaten en verlengt de lengte met een extra 2.000 m. Er kunnen maximaal 10 Superior LineSupply Fibra-modules worden geïnstalleerd op een enkele Fibra-bus. U kunt ook Superior LineSplit Fibra gebruiken om bussen te verlengen of te splitsen.

Het maximale vermogen die het hybride bedieningspaneel in totaal voor alle Fibra-bussen kan leveren hangt af van het model van de hub. Houd er rekening mee dat het totale stroomverbruik van de apparaten in het systeem afhankelijk is van het type kabel, de lengte ervan, het type aangesloten apparaat, de verbindingsstatus van de geleider en andere factoren. Daarom raden wij aan om het project te verifiëren met onze online calculator nadat u de apparaten heeft geselecteerd. Het laat nauwkeurig zien of de capaciteit van de voeding voldoende is voor uw specifieke configuratie.

Topologieën

Fibra is een protocol voor gegevensoverdracht voor bekabelde Ajax-apparaten. Op het fysieke niveau lijkt Fibra op een kabelverbinding: de apparaten zijn met een vieraderige kabel verbonden met het bedieningspaneel. Ajax-systemen ondersteunen de volgende topologieën:

Een Beam-verbinding gebruikt één Fibra-kabel van de hub. Als de kabel breekt, zal alleen het gedeelte dat nog fysiek met de hub is verbonden blijven werken. Bij alle apparaten die zich achter het breekpunt bevinden, wordt de verbinding met de hub verbroken. Aan het einde van de bus moet een afsluitweerstand worden geïnstalleerd.

Bustopologie
Bustopologie

Een sterverbinding (radiale bekabeling) gebruikt meerdere Fibra-kabels die in een bustopologie met de hub zijn verbonden. Een stertopologie maakt het mogelijk om Fibra-lijnen vanuit de hub in verschillende richtingen te leiden. De werking van elke kabel in een sterverbinding is identiek aan die in een busverbinding. Aan het einde van elke bus moeten afsluitweerstanden worden geïnstalleerd.

Stertopologie (radiale bekabeling)
Stertopologie (radiale bekabeling)

Een ringverbinding gebruikt twee Fibra-kabels vanaf de hub om een ring te vormen. Als de ring op één punt breekt, zal geen enkel apparaat worden uitgeschakeld. Beide bussen blijven normaal functioneren en berichten doorgeven aan de centrale. Gebruikers en het beveiligingsbedrijf ontvangen een melding van de kabelbreuk. Voor een ringtopologie is het niet nodig om afsluitweerstanden te gebruiken.

Ringtopologie
Ringtopologie

In een

Boomtopologie
Boomtopologie

Elke uitgangsbus van de Fibra-module is een subkabel (bijv. Kabel 1 → Kabel 1.1, Kabel 1.2, enz.) die als een aparte bus werkt, waardoor een extra vertakking ontstaat. Daarom kunt u meer apparaten aansluiten op dezelfde Fibra-kabel die zijn verbonden met de ingangsbussen van de module. De module kan ook worden aangesloten op een ringverbinding.

Uitgangsklem van de bus

Als de module het laatste apparaat op de Fibra-kabel is, moet er een afsluitweerstand of afsluitweerstand jumper (indien beschikbaar) op de ingangsklemmen van de module worden geïnstalleerd. Daarnaast moeten afsluitweerstanden worden geïnstalleerd op het laatste apparaat van elke kabel die uit de uitgangen van de module komt. De laatste apparaten op de kabels zijn in het onderstaande schema weergegeven.

Uitgangsklem van de bus

De uitgangsbus van elke module kan tot 2.000 m lang zijn wanneer deze wordt aangesloten met het aanbevolen kabeltype. In combinatie met de mogelijkheid om modules in serie te installeren, maakt dit een aanzienlijke uitbreiding van een Fibra-bus mogelijk. De kabellengte kan bijvoorbeeld oplopen tot 2.000 m tussen de hub en de eerste module, tot 2.000 m tussen de eerste en de tweede module, en tot 2.000 m tussen de tweede module en de apparaten die op de uitgang van de module zijn verbonden.

Uitgangsklem van de bus

Vergelijking van topologieën

Bus/Ster (Radiale bekabeling)

Ring

Boom

Uitvoer van één kabel voor één bus

Uitvoer van twee kabels voor één ring

Eén module kan één, twee of vier nieuwe aftakkingen vormen

Tot 8 bussen per hub

Tot 4 ringen per hub

Het aantal vertakkingen wordt alleen beperkt door de capaciteit van de hub

Tot 2.000 m

Tot 500 m

Tot 2.000 m

Er is een afsluitweerstand geïnstalleerd aan het eind van elke kabel

Er is geen afsluitweerstand vereist

Er is een afsluitweerstand geïnstalleerd aan het eind van elke kabel

U kunt all topologieën tegelijkertijd op dezelfde hub gebruiken. U kunt bijvoorbeeld twee Ring- en vier bus-/sterverbindingen gebruiken en elk daarvan uitbreiden met boomvertakkingen.

Afsluitweerstand

Een afsluitweerstand is een weerstand van 120 Ω die is geïnstalleerd op het laatste apparaat op de bus in een bus- of ster- of boomtopologie. De weerstand is verbonden met de signaalaansluitingen (A en B) van het laatste apparaat. Afsluitweerstanden zijn inbegrepen in de volledige set van Ajax Superior MegaHub.

Afsluitweerstand

Sommige Fibra-modules zijn voorzien van een afsluitweerstand jumper. Deze werkt op dezelfde manier als een standaard afsluitweerstand, dus het is niet nodig om fysiek een weerstand tussen de A- en B-signaalaansluitingen te plaatsen. Als een dergelijke module de laatste in de rij is, installeer dan de jumper zo dat deze twee pinnen op het paneel verbindt.

Afsluitweerstanden

Afsluitweerstanden zijn niet vereist wanneer een ringtopologie wordt gebruikt.

Het type en de lengte van de kabels

Bij gebruik van de bus- (radiale bekabeling), ster- of boomtopologie bedraagt het maximale bereik van een bekabelde verbinding 2.000 m. Als een ringtopologie wordt gebruikt, bedraagt dit bereik 500 m. Dit zorgt voor flexibiliteit in het systeemontwerp. U kunt een kabel zo leggen dat deze niet opvalt voor een inbreker, zodat de verschillende apparaten in alle ruimtes gedekt zijn. Op deze manier kan een inbreker die de kabel probeert te saboteren, slechts een aantal apparaten uitschakelen, terwijl de beveiliging van de hele ruimte intact blijft.

Houd rekening met mogelijke plaatsen waar het signaal gestoord kan worden. Als de kabel wordt gelegd in de buurt van motoren, generatoren, transformatoren, elektriciteitsleidingen, controlerelais en andere bronnen van elektromagnetische verstoring, gebruik op die plaatsen dan een gevlochten kabel.

Verificatie met een calculator

Om ervoor te zorgen dat het project correct wordt berekend en dat het systeem in de praktijk werkt, hebben we twee tools ontwikkeld: de Calculator van radiocommunicatiebereik en de Fibra-voedingscalculator.

Deze tools zijn essentieel om het project te controleren. Ze controleren de kwaliteit van de radiocommunicatie tussen de hub en systeemapparaten, evenals de kabellengte van bekabelde apparaten voor de geselecteerde configuratie.

Voorbereidend werk

Kabelmanagement

Controleer bij het voorbereiden van het leggen van kabels de elektrische en brandveiligheidsvoorschriften in uw regio en volg deze strikt op.

Om kabels onzichtbaar en ontoegankelijk te maken voor inbrekers, kunt u ze in muren, vloeren of plafonds leggen. Deze manier van geleiden zorgt ook voor een grotere duurzaamheid van de kabel: de kabel wordt blootgesteld aan minder externe factoren die de natuurlijke slijtage en isolatielaag van de geleider aantasten.

Normaal gesproken worden de kabels van het beveiligingssysteem gelegd tijdens de bouw of renovatie van een locatie.

Als het niet mogelijk is om kabels in de muren te leggen, leg ze dan zo neer dat ze voldoende beschermd en uit het zicht zijn. Hiervoor kan men een kabelgoot of een mantelbuis gebruiken. Het is wenselijk om dergelijke goten of buizen te verbergen, bijvoorbeeld achter meubels.

We raden het gebruik van beschermbuizen, kabelgoten of mantelbuizen aan om de kabels te beschermen, ongeacht of ze in de muur worden gelegd of niet. De kabels moeten zorgvuldig worden gelegd. Ze mogen niet doorhangen, in de knoop raken of draaien.

Kabels leggen

Bij het leggen van kabels voor een beveiligingssysteem moet u niet alleen de algemene vereisten en regels voor elektrische installatie kennen, maar ook de specifieke installatiekenmerken van elk apparaat. Deze omvatten de installatiehoogte, de montagemethode, de manier waarop de kabel in de behuizing wordt gestoken, etc. Deze details zijn beschikbaar in de gebruikershandleidingen van de apparaten, die u kunt vinden en bekijken op onze supportpagina.

Probeer afwijkingen aan het ontwerp van het beveiligingssysteem te vermijden. Als de kabellengte bijvoorbeeld wordt vergroot, kan dit leiden tot verbindingsverlies tussen bekabelde detectoren en de hub. Tegelijkertijd kan het wijzigen van de aansluitvolgorde van de apparaten of het vervangen ervan de effectiviteit van de beveiliging beïnvloeden.

Bedek de uiteinden van de kabel met een plastic zak of folie als u de kabels tijdens een renovatie wilt leggen. Dit beschermt ze tegen verf en pleister. Het binnendringen van dergelijke materialen aan het uiteinde van de kabel kan de signaalkwaliteit tussen de hub en de systeemapparaten aanzienlijk beïnvloeden.

Kabels voorbereiden op de aansluiting

Verwijder de isolatielaag van de kabel en strip de kabel met een speciale isolatiestripper om beschadiging van de geleider te voorkomen. De uiteinden van de kabels die in de aansluitklemmen van de detector worden gestoken, moeten worden vertind of voorzien van een krimpkous. Dit zorgt voor een betrouwbare aansluiting en beschermt de geleider tegen oxidatie.

Aanbevolen kabeloogmaat: 0,75 tot 1 mm².

Het systeem installeren en aansluiten

Het bedieningspaneel installeren en de kabels aansluiten

De hybride bedieningspanelen zijn verkrijgbaar in twee versies: met een standaard behuizing (bijv. Superior Hub Hybrid (2G) en Superior Hub Hybrid (4G)) en als een paneel zonder behuizing (bijv. Superior Hub Hybrid (4G) (without casing)).

Superior Hub Hybrid (2G) en Superior Hub Hybrid (4G) mogen alleen in de meegeleverde behuizing worden geïnstalleerd. Dit is nodig om de sabotagebeveiliging aan beide zijden van de kaart te activeren. De sabotagebeveiliging aan de voorkant detecteert pogingen om het deksel van de behuizing van het bedieningspaneel te verwijderen. De sabotagebeveiliging aan de achterkant waarschuwt bij pogingen om de behuizing van het bedieningspaneel los te maken van het oppervlak.

Superior Hub Hybrid

Superior Hub Hybrid (4G) (without casing) is ontworpen voor installatie in Case D (430), deze wordt apart verkocht. Het paneel van de hub heeft connectoren voor het bevestigen van de sabotagebeveiliging en het led-paneel. De sabotagebeveiliging is inbegrepen in de complete set van Case. Gebruik de Case-configurator om de optimale plaatsing van Fibra-apparaten in de behuizing te bepalen. Er kan slechts één bedieningspaneel in één behuizing worden geïnstalleerd.

Superior Hub Hybrid (4G) (without casing)

Om de kabels in de behuizing of Case te kunnen steken, moet u er vooraf gaten in maken. Boor een gat voor de lichtgeleider voordat u Superior Hub Hybrid (4G) (without casing) monteert. Installeer vervolgens de lichtgeleider en het led-paneel. Om het paneel van de Superior Hub Hybrid (4G) (without casing) te installeren, zet u twee Module Holder (type B)-apparaten vast met de rails in de Case.

Lichtgeleiders
Lichtgeleiders
Plaatsen om het led-paneel te installeren
Plaatsen om het led-paneel te installeren

De behuizing van de hub en Case zijn zo goed mogelijk voorbereid voor installatie: alle benodigde gaten voor de montage van het bedieningspaneel zijn al gemaakt. De complete sets van de hub en Case bevatten schroeven en pluggen voor snelle installatie.

De hub moet op een verticaal oppervlak en uit het zicht worden geïnstalleerd. Maak bij de montage gebruik van alle bevestigingspunten op de behuizing. Zorg ervoor dat u het bevestigingspunt op het geperforeerde deel van de behuizing gebruikt, dat nodig is om de sabotagebeveiliging te activeren bij pogingen om de behuizing los te maken van het oppervlak.

Standaard bevestigingspunten voor de behuizing
Standaard bevestigingspunten voor de behuizing
Case D (430) bevestigingspunten
Case D (430) bevestigingspunten

Schakel de hub uit, maak deze spanningsloos en koppel de reservebatterij los voordat u kabels aansluit. Let bij het aansluiten van kabels op de polariteit en de aansluitvolgorde van de kabels. Maak de geleiders stevig vast aan de aansluitklemmen. De meegeleverde behuizing bij de hub en Case zijn voorzien van bevestigingselementen waarmee u kabels kunt ordenen en vastzetten met plastic kabelbinders.

Superior Hub Hybrid (2G) / Superior Hub Hybrid (4G) installeren en aansluiten

Superior Hub Hybrid (4G) (without casing) installeren en aansluiten

Systeemapparaten installeren

Elk apparaat heeft een SmartBracket-montagepaneel of speciale gaten in de behuizing voor montage op een oppervlak.

Verwijder vóór de installatie het montagepaneel of het onderdeel van de behuizing dat bedoeld is voor de montage van het apparaat. Maak gaten in het montagepaneel of een deel van de behuizing om kabels door te voeren. Breek het geperforeerde gedeelte voorzichtig uit of boor er een gat in, indien mogelijk.

Plaatsen waar u gaten kunt maken voor kabelgeleiding:

tips voor Ajax-Fibra

Controleer of de geselecteerde installatielocatie voldoet aan de gebruikershandleiding. Alle handleidingen zijn te vinden op onze supportpagina.

Verwijder voor de installatie de kaart met het klemmenblok en voer de kabel door het gat. Bevestig vervolgens het montagepaneel of een deel van de behuizing aan het oppervlak met alle bevestigingspunten, inclusief het geperforeerde deel. Dit is nodig om de sabotagebeveiliging te activeren als wordt geprobeerd het apparaat te demonteren. Gebruik alleen de meegeleverde schroeven, aangezien andere bevestigingsmiddelen het montagepaneel of de behuizing van het apparaat kunnen beschadigen of vervormen tijdens de installatie.

Nadat u het paneel of een deel van de behuizing op het oppervlak heeft bevestigd, installeert u het klemmenbord opnieuw op speciale houders. Wanneer de kabels zijn aangesloten op de aansluitingen van de kaart, installeert u de resterende onderdelen van het apparaat en zet u de behuizing vast met een meegeleverde schroef. Aan de onderkant van elk apparaat bevindt zich een gat voor een schroef.

Installatie in Case

Gebruik Case wanneer u Fibra-apparaten zonder behuizing of apparaten die compatibel zijn voor installatie in Case moet installeren. De volledige lijst met compatibele apparaten is hier beschikbaar. Case wordt in verschillende uitvoeringen geproduceerd en elk model heeft een ander aantal sleuven, afhankelijk van het aantal apparaten. Gebruik de Case-configurator om de meest optimale plaatsing van uw Fibra-apparaten in de behuizing te bepalen.

Om de kabels in de behuizing te kunnen steken, moet u er vooraf gaten in maken. Elk Case-model is voorzien van geperforeerde delen en uitsparingen, zodat u eenvoudig gaten kunt boren. Wij raden aan een gatenzaag voor kunststof te gebruiken, met een diameter van Ø16 mm, Ø20 mm, Ø32 mm, Ø40 mm of Ø63 mm, afhankelijk van de Case-versie.

Installatie in Case

Om kabels handig te organiseren kunt u kanalen en kabels vastzetten met kabelbinders. Bevestig Case na het leiden van de kabels op het verticale oppervlak met meegeleverde schroeven en gebruik daarbij alle bevestigingspunten. Eén daarvan bevindt zich in het geperforeerde gedeelte boven de sabotagebeveiliging en is nodig om deze te activeren als iemand de behuizing probeert los te maken. Case is voorzien van een waterpas, zodat u tijdens de installatie de hellingshoek van de houder kunt controleren.

Сase heeft kunststof vergrendelingen of rails voor het vastzetten van Fibra-apparaten, afhankelijk van de versie van Case. Wanneer alle apparaten zijn geïnstalleerd en de kabels zijn gelegd, sluit u een sabotagebeveiliging aan om ze te beschermen tegen sabotage.

Case installeren

Fibra-apparaten aansluiten

De apparaten worden één voor één op de Fibra-kabel aangesloten, zoals aangegeven in de afbeelding. Kabelvertakkingen zijn alleen toegestaan bij gebruik van Superior LineSplit Fibra of Superior LineSupply Fibra.

Fibra-apparaten aansluiten

Er zijn vier aansluitingen op het paneel van het apparaat:

+24V: voeding

A, B — signaalklemmen

GND: aarde

De detectoren Superior DoorProtect Fibra, Superior DoorProtect G3 Fibra, Superior DoorProtect Plus Fibra en Superior GlassProtect Fibra beschikken over extra aansluitingen voor het verbinden van apparaten van derden met een NC-contacttype (normaal gesloten).

tips voor Ajax-Fibra

NC — aansluiting voor het aansluiten van een extern contact-/rolluikdetector (voor Superior DoorProtect Plus Fibra)

GND: aarde

Superior HomeSiren Fibra heeft een extra klem voor het aansluiten van een externe led.

tips voor Ajax-Fibra

Sluit de apparaten alleen aan op spanningsloze bussen van de hub. U kunt de voeding naar de bussen uitschakelen in de instellingen van het hybride bedieningspaneel. Volg de polariteit en de verbindingsvolgorde van de kabels. Sluit de kabel aan op de klemmen en zet deze vast met kabelbinders en met de bevestigingsmiddelen van het montagepaneel.

Het systeem configureren

De hub aan een space toevoegen

Sluit een ethernetkabel en/of simkaarten, een externe voeding en een back-upbatterij aan op de hub.

Zet de hub aan en wacht tot de led-indicator groen of wit oplicht, wat aangeeft dat er verbinding is met Ajax Cloud. Meer informatie over de led-indicatie vindt u in de gebruikershandleiding.

Zorg ervoor dat u de benodigde componenten voor de aansluiting van de hub vooraf voorbereidt.

Inbegrepen in de complete set

Niet inbegrepen in de complete set

  • Ethernetkabel (1 m)
  • voedingskabel (1 m)
  • kabel voor het aansluiten van een reservebatterij
  • één mini-simkaart (afhankelijk van de verkoopregio)
  • acht afsluitweerstanden van 120 Ω
  • klemmenblokadapter met schroefaansluiting (om aan INCERT-vereisten te voldoen)
  • Led-paneel¹
  • Aansluitkabel voor led-paneel¹
  • lichtgeleiders¹
  • Reservebatterij
  • tweede mini-simkaart
  • sabotagebeveiliging²

Voeg in de app de hub toe aan de space door de QR-code van het apparaat te scannen of de ID handmatig in te voeren. De QR-code met een ID bevindt zich op de kaart van de hub, op de achterkant van de behuizing en op de verpakking.

¹ Inbegrepen in de complete set van Superior Hub Hybrid (4G) (without casing).

² Inbegrepen in de complete set van Case.

Instellingen van de hub

Een volledige beschrijving van alle instellingen staat gegeven in de gebruikershandleidingen van de hybride bedieningspanelen. Deze sectie behandelt belangrijke punten, nuttige functies en niet voor de hand liggende instellingen.

Communicatiekanalen

Wij adviseren om de hub via alle communicatiekanalen tegelijk aan te sluiten: ethernet en twee simkaarten. Het systeem blijft beschermd, zelfs als er een storing is bij een van de mobiele providers. De app geeft op elk moment de status van de verbinding van het communicatiekanaal weer.

Wanneer u simkaarten aansluit, moet u de APN en andere netwerkinstellingen instellen die de mobiele provider aanbeveelt. Als het netwerk statische IP-adressen gebruikt, moeten deze ook worden opgegeven in de ethernet-instellingen.

Hoe kunt u nagaan of de hub de internetverbinding heeft verloren?

Groepen

Bekabelde Fibra-apparaten kunnen worden gecombineerd in één beveiligingsgroep met draadloze apparaten, ongeacht hun fysieke verbinding en locatie. Activeer en configureer de groepsmodus als het project dit vereist. Hybride bedieningspanelen ondersteunen maximaal 9 beveiligingsgroepen.

Meer informatie over de functie Gevolgde groepen

Beveiligingsschema

In een Ajax-systeem kunt u een beveiligingsschema voor een locatie instellen. Met scenario's kunt u de beveiligingsmodus voor afzonderlijke beveiligingsgroepen of het gehele systeem wijzigen, en de Deelinschakeling voor een bepaald tijdstip instellen.

Het systeem volgens normen instellen

Als uw project aan bepaalde normen moet voldoen, houd daar dan rekening mee bij het installeren en configureren van het systeem. Meer informatie over de lijst met noodzakelijke instellingen vindt u hieronder:

Instelling conform de vereisten van PD 6662:2017

Instelling conform EN 50131-vereisten

Instelling conform de vereisten van INCERT

Instelling conform de vereisten van NFA2P

Instelling conform de vereisten van UL

Instelling conform de vereisten van ANSI/SIA CP-01-2019

Instelling conform de vereisten van het principe voor onvermijdelijkheid (Duits: Zwangsläufigkeit)

Batterij-instellingen

Met deze instellingen kunt u de levensduur van de batterij verlengen.

De functie Maximaliseer de levensduur van de batterij verlengt de levensduur van de reservebatterij van de hub. Wanneer de instelling is ingeschakeld, stopt het opladen bij 100% en wordt het hervat bij een batterijlading van 80%.

Om een batterijduur van maximaal 200 uur te garanderen, schakelt u de functie Bespaar de lading van de reservebatterij van de hub¹ in en wijzigt u het polling-interval van de server en de tijd gedurende welke de hub na een gebeurtenis in het systeem verbonden blijft met Ajax Cloud. De levensduur van de batterij is afhankelijk van de capaciteit van de back-upbatterij, de systeemconfiguratie en het aantal apparaten dat aan de hub is toegevoegd.

¹ Als de functie Spaarstand batterij is ingeschakeld, voldoet uw systeem niet aan EN 50131 (Grade 3).

👉 Zo werkt een Ajax-systeem bij een stroomstoring

Apparaten toevoegen aan het systeem

Er zijn twee manieren om apparaten toe te voegen:

  1. Handmatig. Dit is de standaardprocedure voor het toevoegen van een apparaat. Om een apparaat toe te voegen, moet u de QR-code scannen of de ID handmatig invoeren. Deze methode is geschikt voor het toevoegen van draadloze en een klein aantal bekabelde apparaten en is handig voor het vervangen van een kapot apparaat tijdens onderhoud.
  2. Automatisering. Bij deze methode worden bekabelde apparaten toegevoegd door de bussen te scannen. De methode is geschikt voor het toevoegen van een groot aantal Fibra-apparaten die op de bussen zijn aangesloten. Dankzij deze functie is er minder tijd nodig om het systeem in te stellen. Wanneer het scannen is voltooid, wordt de lijst met aangesloten Fibra-apparaten gesorteerd op de Fibra-bussen. Om een apparaat te kunnen identificeren, gaat het ledlampje branden wanneer de app hiertoe een opdracht geeft. Er is ook een alternatieve manier om apparaten te identificeren. Wanneer er een alarm afgaat, wordt het apparaat bovenaan de lijst weergegeven. U kunt het scannen van bussen starten in het menu voor het toevoegen van apparaten en in de instellingen van de hub.

Voor meer informatie over het automatisch scannen van bussen, zie de handleidingen voor elk Fibra-apparaat op onze supportpagina.

Instellingen voor het apparaat

Een volledige beschrijving van alle instellingen voor elk apparaat is te vinden op onze supportpagina. Deze sectie behandelt belangrijke aandachtspunten, nuttige functies en niet voor de hand liggende instellingen die soms over het hoofd worden gezien.

Vertraging bij binnenkomst/vertrek

Vertraging bij binnenkomst/vertrek is de tijd die de gebruiker heeft om het beveiligingssysteem uit te schakelen nadat hij de beveiligde ruimte betreedt.

Dit wordt apart ingesteld in de instellingen van elke detector. Ajax-sirenes kunnen de vertraging met geluid aangeven. Deze functie kan ook worden geactiveerd in de instellingen van de sirene.

Deelinschakeling

De deelinschakeling is een beveiligingsmodus waarbij slechts enkele detectoren zijn geactiveerd.

De deelinschakeling werkt alleen met openings-, glasbreuk- en bewegingsdetectoren. De deelinschakeling is standaard uitgeschakeld en kan worden ingesteld in de instellingen van elke detector.

Reactie van de sirene op alarmen

Met deze instelling worden de sirenes geactiveerd wanneer de detector wordt geactiveerd. Dit kan voor elke detector afzonderlijk worden geconfigureerd. De sirene gaat af met het volume en de duur van het alarmsignaal zoals ingesteld in de instellingen van de sirene.

Bel

Wanneer de Bel-functie (meldingen wanneer deuren worden geopend) is ingeschakeld, geven de sirenes een speciaal geluid af om aan te geven dat de openingsdetectoren zijn geactiveerd terwijl het systeem is uitgeschakeld. De functie wordt bijvoorbeeld gebruikt in winkels om werknemers te waarschuwen als iemand het gebouw binnenkomt.

De meldingsinstellingen worden in twee fasen gemaakt: het instellen van sirenes en het instellen van openingsdetectoren. In de instellingen van de openingsdetectoren moet de functie worden geactiveerd. In de instellingen van de sirene moet u de functie activeren en het volume en geluid van het alarm selecteren.

Toegangscodes voor bediendelen

Toegangscodes worden gebruikt om beveiligingsmodi te beheren via Ajax-bediendelen. Een toegangscode en dwangcode kunnen algemeen of persoonlijk zijn. Algemene codes worden ingesteld in de instellingen van het bediendeel, terwijl persoonlijke codes rechtstreeks door de gebruiker vanuit zijn persoonlijke account worden ingesteld in de instellingen van de hub.

Gevoeligheid van bewegingsdetector

De functie moet voor elke detector afzonderlijk worden geconfigureerd op basis van de specifieke locatie, zoals de aanwezigheid van huisdieren, een open haard of andere mogelijke thermische verstoring. Bij bewegingsdetectoren voor buiten wordt de detectieafstand eveneens ingesteld met behulp van de schuifbalk aan de achterkant van de behuizing.

Automatiseringsscenario's

Het Ajax-systeem biedt de optie om automatiseringsapparaten en Ajax WaterStop Jeweller te configureren als reactie op een alarm, verandering van de modus, schema of temperatuur. U kunt bijvoorbeeld de straatverlichting zo instellen zodat deze op schema wordt ingeschakeld, door in de bedieningsmodus op Button Jeweller te drukken of wanneer bewegingsdetectoren die rondom de omtrek zijn geïnstalleerd een alarm activeren. Bovendien kan de gebruiker automatisering-apparaten bedienen met KeyPad TouchScreen Jeweller, Superior KeyPad TouchScreen Fibra, KeyPad Outdoor Jeweller en Superior KeyPad Outdoor Fibra. Scenario's worden gemaakt en bewerkt in de instellingen van automatiseringsapparaten, hubs of bediendelen.

MotionCam-detectoren die de functie Foto door scenario ondersteunen, kunnen foto's maken bij alarmen van andere Ajax-apparaten of op een opgegeven tijdstip. Een gebruiker met beheerdersrechten kan zo'n scenario maken en aanpassen in de instellingen van de detector, en ook aangeven wanneer het mogelijk is om foto's te maken in de privacy-instellingen van de space.

Een scenario aanmaken en configureren in het Ajax-systeem

Testen van het systeem

Een Ajax-systeem biedt de volgende tests om u te helpen de juiste plaats te kiezen om apparaten te installeren en hun werking te controleren:

De signaalsterktetests voor Jeweller, Wings en Fibra bepalen de sterkte en stabiliteit van het signaal op de beoogde locatie van het apparaat.

De detectiezonetest helpt bij het bepalen van de afstand waarop het apparaat alarmen detecteert op de huidige installatielocatie.

De signaaldempingstest helpt om het vermogen van de radiozender kunstmatig te verlagen of te verhogen. De test simuleert veranderingen in de binnenomgeving om de stabiliteit van de verbinding tussen het apparaat en de hub te controleren.

De voedingstest bussen simuleert het maximale stroomverbruik van bekabelde Fibra-apparaten: detectoren geven een alarm af, bediendelen worden geactiveerd en sirenes worden ingeschakeld. Als het systeem de test doorstaat, hebben alle bekabelde apparaten voldoende voeding in elke situatie.

Het is belangrijk om de maskeringssensor te kaliberen zodat Superior DoorProtect G3 Fibra of Ajax-bewegingsdetectoren goed werken. Als de detector gekalibreerd is, detecteert het onmiddellijk pogingen om frauduleuze magneten te gebruiken. Het is belangrijk om de maskeringssensor van de bewegingsdetector te kaliberen om ervoor te zorgen dat het apparaat correct werkt en pogingen om het zichtveld van de sensoren te blokkeren onmiddellijk kan detecteren. Kalibreer de sensor onmiddellijk nadat u het apparaat aan het systeem heeft toegevoegd of de installatielocatie heeft gewijzigd.

Met de zelftest van het apparaat kunnen gebruikers controleren of de ingebouwde sensoren van het apparaat goed werken. Voer ze uit na installatie van Superior DoorProtect G3 Fibra, Superior SeismoProtect G3 Fibra, of detectoren uit de FireProtect-serie. De dekkingstest voor FireProtect 2-detectoren controleert of alle brandmelders nog steeds op een alarm reageren als de verbinding met de hub wegvalt. De test betreft detectoren die de functie terugvalverbinding voor gekoppelde brandalarmen ondersteunen.

Met de volumetest voor de sirene kunt u het huidige volumeniveau controleren en het optimale niveau voor de locatie selecteren.

Na installatie

Training voor klanten

Om het systeem te gebruiken, moeten gebruikers de Ajax Security System-app downloaden en een account aanmaken. Wanneer een account is aangemaakt, voegt een installateur alle gebruikers toe aan de hub en helpt hen bij het instellen van meldingen en toegangscodes. De codes moeten worden geconfigureerd als het systeem bediendelen omvat.

Een installateur moet een klant vertellen hoe ze systeem kunnen beheren en de werking van de groepsmodus en de deelingschakeking, indien deze worden gebruikt. Als scenario's zijn ingesteld voor het systeem, moet een installateur ook uitleggen hoe deze werken.

Een installateur moet klanten ook de contactgegevens geven voor het geval ze vragen hebben over het systeem. Klanten moeten ook weten dat ze 24/7 contact kunnen opnemen met het Ajax-ondersteuningsteam met vragen over de werking van het systeem, apparaten en apps.

Contact opnemen met de technische ondersteuning van Ajax

Onderhoud

Controleer regelmatig de werking van het systeem. Hoe vaak u de werking moet controleren wordt bepaald door de wet- en regelgeving van het land waar het systeem is geïnstalleerd. Controleer de batterijlading van draadloze apparaten en vervang deze indien nodig. Controleer of de kabels goed vastzitten op de aansluitklemmen. Voer functionaliteitstesten uit. Regelmatige controles zijn belangrijk en helpen storingen op te sporen en te voorkomen.

Klantenondersteuning

Om ervoor te zorgen dat het systeem voldoet aan de eisen van de klant en toekomstbestendig blijft, brengen we regelmatig nieuwe apparaten, app-updates en nieuwe firmwareversies uit voor hubs en signaalversterkers.

Klanten zijn altijd blij met nieuwe functies via gratis updates van de firmware en apps. Een installateur kan hen op zijn beurt nieuwe apparaten en kwaliteitsservice op afstand bieden.

Daarom raden we installateurs aan om na de installatie van het systeem met klanten te communiceren en hen te informeren over eventuele extra functies en nieuwe apparaten. We sturen partners en alle gebruikers van PRO-apps regelmatig e-mails over nieuwe releases en updates. Nieuws over ons bedrijf is ook beschikbaar op onze blog.